×

'Hoe komen we tot een duurzame verhouding die overladenheid van de scholen voorkomt en die bijdraagt aan het verminderen van de lerarentekorten en vergroting van de kwaliteit van onderwijs'

In gesprek met Jilles Veenstra en opvolger Remko Littooij

Voorzitterswisseling FvOv: in gesprek met Jilles Veenstra en Remko Littooij

Na elf jaar heeft Jilles Veenstra het voorzitterschap van de FvOv, de Federatie van Onderwijsvakorganisaties, overgedragen aan Remko Littooij. Een terug- en vooruitblik met beiden.

Wat is er veranderd in het onderwijs?
Jilles Veenstra heeft 17 jaar voor de klas gestaan en 25 jaar voor de bond gewerkt. De status van de leraar is in die tijd veranderd. De beroepsbevolking is hoger opgeleid dan veertig jaar geleden en dat heeft een andere dynamiek tot gevolg.

In de loop van jaren is de leraar noodgedwongen een uitvoerder in plaats van een professional geworden. Leraren zouden de kans moeten krijgen om weer meer de regie te nemen in het onderwijsproces en ik denk dat dat in het binnenkort te publiceren beroepsbeeld terugkomt. Zo zien wij het leraarschap. De professional, die zelf zijn keuzes maakt op basis van zijn kennis en kunde.

Remko vult aan: Het werk in de klas is ook echt anders geworden: een paar decennia geleden waren er nauwelijks leerlingen waar thuis geen Nederlands gesproken werd en waren er veel minder éénoudergezinnen met de sociaal- economische problemen zoals we nu zien.

Hoe is jullie eigen ervaring de laatste jaren in de polder?
Jilles: Wat ons de afgelopen jaren heeft beziggehouden is het welbevinden, maar ook het ‘aan staan’ van leerlingen om opnieuw aan het leren te komen, wat met horten en stoten op gang kwam na corona.

Daarnaast speelt het lerarentekort dat minstens tot 2035 voortduurt. De babyboomers gaan weg en er komt onvoldoende aanwas voor terug. De kwaliteit van het onderwijs staat onder druk, wij zien dat we eigenlijk afglijden en dat is lastig aan te pakken met tekorten.

De afgelopen tijd speelt ook de vraag hoe het onderwijs aangestuurd zou moeten worden, waarin de rollen van de overheid, de bestuurders, de scholen, vakbonden en inspecties eromheen opnieuw geordend zouden moeten worden. De politiek constateert dat ondanks de investeringen van de afgelopen jaren de kwaliteit achteruitgaat. Diezelfde politiek stapelt het aantal opdrachten voor het onderwijs op, wat op zichzelf de druk op de scholen en besturen weer groter maakt. Besturen krijgen het verwijt dat ze onvoldoende zichtbaar maken waar het geïnvesteerde geld naar toe gaat, Vakbonden hebben het idee dat ze onvoldoende in positie worden gebracht om de belangen van werknemers te behartigen. Hoe komen we tot een duurzame verhouding die overladenheid van de scholen voorkomt en die bijdraagt aan het verminderen van de tekorten en vergroting van de kwaliteit van onderwijs.

Remko vertelt over de herziening van de kerndoelen, waarmee zij bezig zijn, en het feit dat het toetsen en meten – en het voorbereiden daarop – tijd kost en, doordat een toets een heel beperkt deel van het onderwijsprogramma gemakkelijk kan meten, veel ontwikkelingen van leerlingen onzichtbaar zijn en te weinig aandacht krijgen.

Jilles vult aan: Bij de politiek is onvoldoende in beeld wat de daadwerkelijke resultaten zijn. Het onderwijs gaat achteruit dus we moeten ons voornamelijk op de basisvaardigheden richten, rekenen en taal, maar het is breder. Kinderen moet je in de breedte opleiden en moet je introduceren in al deze werelden, zoals kunst en cultuur. Dat gaat ons aan het hart als we het onderwijs echt allemaal terug zouden moeten leiden naar rekenen en taal. Dan doe je gewoon leerlingen echt ernstig te kort.

Remko vertelt verder: Dan ook te bedenken dat de basisvaardigheden aanwezig zijn in bijvoorbeeld de podiumkunsten, want als je samen muziek gaat maken en dans uit gaat voeren dan moet je op elkaar reageren. Dat is een sociaal proces, je kunt dat niet autonoom doen in je eentje. Dat is burgerschap waar leraren in kunstvakken zich nog niet altijd van bewust waren.

Hebben de aanbevelingen van het onderwijs naar het ministerie geholpen? Jilles: We zijn in ieder geval in gesprek met elkaar en we hebben akkoorden gesloten, waarin zeker ook goede delen zaten. We denken wel dat dit zeker niet genoeg is. We hebben in december nog een brief over Deltaplan opgesteld, waarin we van de politiek vragen om de problemen serieus en met een lange adem aan te pakken. We hopen dat dat in de nieuwe politiek ook een plek krijgt. Onderwijs is besproken in de formatiebesprekingen en ik ben benieuwd.

Remko: Een van de belangrijkste dingen die we hebben weten te realiseren, is het dichten van de loonkloof tussen primair en voortgezet onderwijs, die was ontstaan. Dat kon gewoon niet meer qua zwaarte in het onderwijs. Dat is aan de vakbond te danken. Verder moeten we ook gewoon les kunnen geven zonder op iedere actualiteit te reageren. Samen met de lerarenopleidingen zijn we aan het kijken hoe we de input van alle partijen rondom het onderwijs, de hele maatschappij die verwachtingen heeft van wat er op school gebeurt, tot een afbakening kunnen brengen van wat een leraar nu in zijn rugzakje moet hebben zodat hij kan starten. Hoe bakenen we af wat daar nog aan wensen vanuit de samenleving bij komen zodat we niet alles blijven opstapelen? Hoe vormen we samen met de opleidingen dat introductiepakket in de eerste drie jaar van de carrière van een leraar? De afgelopen jaren hebben we gezien dat er heel veel studenten gedurende de opleiding uitvallen en de opleiding niet afmaken. Maar ook in de eerste paar jaar voor de klas is er een flinke uitstroom van mensen die uiteindelijk toch iets anders gaan doen dan waarvoor ze zijn opgeleid. Als we die mensen al zouden kunnen behouden, dan hebben we een enorm probleem opgelost. Als leden van een professionele leergemeenschap hebben we ook gezamenlijk de zorg voor nieuwe leraren, onze eigen collega’s.

Daarnaast maakt hoge werkdruk dat er een heel hoog burn-out percentage is. Daar proberen we al jaren iets aan te doen in de CAO, maar dat is gewoon heel moeilijk, ook de gedrevenheid van de leraar zelf. Het sluit ook aan bij het thema sociale innovatie: de cultuur binnen de school is belangrijk en heel lastig om daarvoor aandacht te hebben in de dagelijkse hectiek. Het tekort aan leraren speelt het meeste op scholen waar kinderen al een achterstand hebben vanuit de thuissituatie. Remko sprak laatst een leraar, die op een gymnasium werkt in een grote stad. Deze zei dat als het hem gevraagd zou worden door zijn werkgever, hij zo naar een school zou overstappen waar ze hem veel harder nodig hebben. Hetzelfde geldt voor andere collega’s, maar het wordt hen ook helemaal niet gevraagd om dat te doen.

Wat is een voorbeeld van een leraar?
Jilles: Daar hebben we het beroepsbeeld voor gemaakt. Dat is in ieder geval iemand die pedagogisch, didactisch, vakinhoudelijk bekwaam is, die in dossiers opgeleid is, die in staat is om klassenmanagement te voeren en de klas als geheel aan te spreken. Maar ook tijd moet hebben voor individuen, daarop weet in te spelen met opdrachten en iemand die onderdeel uitmaakt van een team van leraren, die met het team het beleid van de school bepaalt, die met dat team uiteindelijk gesprekken houdt teneinde kerndoelen gaat bepalen. Leraar is echt een belangrijk vak waarvoor je opgeleid bent. Activiteiten kun je laten verzorgen door andere professionals.

Beroepsbeeld
Wij proberen een soort gids met informatie te ontwikkelen voor leraren die in het onderwijs werken en aankomende leraren. Maar deze is ook bestemd voor de andere actoren in het onderwijs zoals daar zijn opleidingen, besturen en mede-collega’s. Daarin komt te staan wat het beroep van leraar inhoudt en wat daaromheen nodig is.

Remko vult aan: Het is een interessant traject want we doen dat met alle bonden en beroepsverenigingen samen. Het is een heel breed beeld van docenten van primair onderwijs tot mbo. Hoe komen we tot iets herkenbaars voor iemand die met kleuters werkt of met jongvolwassenen? Wat is nou daar de gemene deler in? De uitkomsten worden vanuit het pedagogisch didactische bekeken. De trots dat een leerling een bepaalde ontwikkeling heeft gemaakt, een stap durft te zetten en verder is gekomen, dat zijn de parels in het werk. In de gids zit ook een grote kenniscomponent, overdracht van kennis en het leren van de leerlingen, wat voor vakinhoudelijke verenigingen belangrijk is.

Het volgende proces, na het beroepsbeeld, is een advies aan het ministerie van OCW over de herijking van de bekwaamheidseisen, met dezelfde groep vakbonden en vakverenigingen. Daar is het beroepsbeeld ook weer de basis voor. We hopen eigenlijk met het beroepsbeeld dat leraren zich meer gaan realiseren welke positie ze eigenlijk in zouden kunnen nemen als autonome professional.

Wat heeft jullie ertoe bewogen om leraar te worden?
Jilles heeft de bevoegdheid leraar bewegingsonderwijs en leraar Nederlands, maar geeft al 24 jaar geen les meer. “Ik vond het heel leuk om met kinderen te werken, om kinderen dingen te leren en dat leek mij een aantrekkelijke baan in de jaren tachtig. Leuk om kinderen iets te leren en te zien opgroeien en daar een rol in te spelen, dat was mijn drijfveer.”

Remko is in opleiding geweest tot docent muziek. “Ik had de drive om dat wat ik zelf zo geweldig vond aan muziek, over te brengen aan de leerlingen, dus veel meer vanuit het vak gericht. Ik vind dit zo mooi, dat moeten jullie toch ook kunnen meemaken en beleven. Mooi en ook heel erg belangrijk muziek en beweging als uitlaatklep voor kinderen. Een plek waar je elkaar op een andere manier ontmoet dan in een les taal of rekenen”.

Jilles: Bewegen is ook een manier om je te verhouden tot een ander en in die zin past dat ook heel goed bij burgerschap, waarin je leert dat er bepaalde sociale rangorde is in het spel en hoe je daarmee om zou moeten gaan en je leert te accepteren dat de één een andere rol heeft dan de ander en dat is op zich heel boeiend. Je ziet ook de kwaliteit van de verschillende opleidingen binnen de school, want Lichamelijke Opvoeding (LO) is natuurlijk heel erg ook op samenwerken, sociale ontwikkeling en dat soort dingen gericht, omdat dat vanuit het vak komt. Bijvoorbeeld LO-docenten zijn mentoren van de Brugklas, want dat past goed bij de achtergrond zoals het vak wordt ingestoken. Want dat gaat ook over hoe ga je met elkaar om en hoe heb je positie in de school en in de klas.

Jilles, wat zou je Remko mee willen geven in zijn voorzitterschap?
Ontwikkel je eigen stijl, houd de belangen van de verenigingen (en hun leden) voor ogen. De afgelopen jaren heb ik geprobeerd de belangen van de professionals te behartigen. Ik heb daarvoor een uitgebreid netwerk ontwikkeld. Ik heb geprobeerd om niet alleen zelf met andere partijen in contact te komen, maar ook meerdere partijen met elkaar in contact te brengen. Als ik nu terugkijk, denk ik dat ik in ieder geval wel een bijdrage heb geleverd om uiteindelijk partijen dichter bij elkaar te brengen.

En hoe zie je zelf je invulling, Remko?
Ik denk dat ik eerst binnen de eigen organisatie voor continuïteit van kennis en een goede vertegenwoordiging ga zorgen. Er zijn heel veel dossiers die momenteel spelen, het lerarentekort en het is belangrijk hierin verbinding te houden met de verenigingen, dat ze weten wat wij doen en om goed voeding te houden met wat zij nodig hebben daarin en hoe zij kijken naar die ontwikkelingen.

Wat wordt de focus voor dit jaar 2024?
Remko: Ik denk de positie die we hebben opgebouwd ook in relatie tot de andere partijen in het veld zo goed mogelijk behouden.

Jilles: Een herijking van het beleid dat er de afgelopen jaren is ontwikkeld, kunnen we hier voldoende mee vooruit?

Waar zou de VCP bij kunnen helpen?
De VCP is in die zin goed om ons te verbinden met het overkoepelende beleid en met name ook met de overige vakcentrales. De weg die beleid af moet leggen, voordat het uiteindelijk bij onze leden terechtkomt. De VCP is vooral van belang op grote thema’s, de grote beweging vanuit het specifieke karakter van de VCP met de focus op de leraren, de middengroepen, de segmenten binnen de arbeidsmarkt ook goed over het voetlicht te zien brengen. Remko vult nog aan: de maatschappelijke thema’s, die consequenties hebben voor wat er in de klas gebeurt, bijvoorbeeld kinderopvang en samenwerking met jeugdzorg.

Jilles: Als ik kijk naar de VCP, dan zou het goed zijn dat we eens in BV Nederland het gesprek voeren over het fiscale stelsel en de wijze waarop werken belast wordt ten opzichte van de belasting van het kapitaal. Zeker als je het bekijkt voor de middengroepen die nu heel lastig woonruimte kunnen vinden etc., is dat van groot belang. Voor onze achterban zou dat echt flink schelen op het moment dat dat zwaartepunt van belasten van inkomen verschuift.

Het goede van de VCP is dat met de andere aangesloten sectoren dossiers van verschillende kanten belicht worden, zoals in de VCP-werkgroep Duurzame Inzetbaarheid, waar dossiers voorbijkomen, zoals leven lang ontwikkelen en de rol die onderwijs daarin speelt. Hoe verhoudt private onderwijs zich tot publiek onderwijs? Arbeid en vitaliteit zijn ook overkoepelende thema’s.

Het afgelopen jaar heeft de SER het advies Waardevol werk: publieke dienstverlening onder druk vastgesteld. De VCP is erg blij met het advies. “Het laat zien dat de grote personeelstekorten bij onderwijs, zorg, veiligheid en overheden geen extern gegeven zijn. Er zijn in het verleden bewuste keuzes gemaakt waardoor het zijn van professionals in deze sectoren te weinig aantrekkelijk gevonden wordt. Op deze voet doorgaan kan niet. Meer ruimte voor professionals is nodig”, zegt Nic van Holstein, voorzitter VCP.