Menu
Werken zou meer lonen, maar kabinet komt juist met lastenverzwaring (update)

Het kabinet maakt de belofte in de begroting dat werken meer zou moeten lonen niet waar. De VCP ziet dat de fiscale plannen van het Belastingplan 2027 en de Miljoenennota een heel andere realiteit betekent voor werkenden en professionals met een midden- en hoger inkomen. “Wat aan de voorkant wordt gepresenteerd als verlichting, wordt via de achterdeur afgeroomd door hogere schijventarieven, bevroren grenzen en een forse sluipende belastingverhoging via de zogeheten vrijheidsbijdrage,” zegt Nic van Holstein, voorzitter VCP.

De VCP constateert dat de feitelijke belastingmaatregelen meer werken niet stimuleert, maar juist de marginale druk aanjaagt. Van Holstein: “Door de tabelcorrectiefactor verregaand buiten werking te stellen en tarieven in de eerste twee schijven per saldo te verhogen, roomt de overheid loonstijgingen direct af en worden met name midden- en hogere inkomens zwaarder belast. Een kabinet dat productiviteit en inzet predikt, moet werkenden belonen in plaats van belasten.”

Ook na enkele wijzigingen op het Belastingplan blijft de fundamentele kritiek van de VCP staan. Er worden een aantal kleine positieve aanpassingen gedaan, maar werken is nog steeds onvoldoende lonend en kleine spaarders en beleggers moeten fors meer gaan bijdragen.

Dit artikel is op 2 oktober bijgewerkt

Specifieke maatregelen uit het Belastingplan 2027

Vrijheidsbijdrage: sluipende lastenverzwaring op arbeid

De grootste aanslag op de portemonnee van werkenden zit in de wettelijke inflatiecorrectie (de tabelcorrectiefactor). In plaats van volledige indexatie past het kabinet deze in 2027 voor slechts 48% toe. Vanaf 2028 wordt dit via een formule zelfs teruggebracht naar een geraamde 12,2%. Werkenden krijgen hierdoor te maken met een structurele lastenverzwaring van maar liefst € 3,4 miljard. Via een taakstellende verhoging van de Aof-premie structureel € 1,7 miljard extra, komt ongeveer 75% uiteindelijk bij werknemers terecht.

Hogere belastingtarieven

Het kabinet schermt met een optische lastenverlichting van 0,06%-punt op de eerste twee schijven, maar per saldo stijgen de tarieven juist aanzienlijk door de compensatie van lagere nominale zorgpremies (+0,57%-punt). Per saldo stijgt de 1e schijf met 0,48%-punt (naar 36,23%) en de 2e schijf met 0,60%-punt (naar 38,16%). Deze ingreep levert de schatkist structureel ruim € 5,1 miljard op, maar verhoogt de marginale druk direct voor alle werkenden tot een inkomen van circa € 78.500.

Sneller in hoogste tarief

Het kabinet heeft het aanvangspunt van de derde schijf in de gewijzigde voorstellen verhoogd naar € 80.578. Hierdoor is deels tegemoetgekomen aan de kritiek op het onderstaande oorspronkelijke voorstel.

Het aanvangspunt van het tarief in de derde schijf wordt in 2027 beleidsmatig bevroren op het niveau van 2026. Daardoor gaan midden- en hogere inkomens door (cao-)loonstijgingen veel sneller het hoogste belastingtarief betalen. Tegelijkertijd bouwt de algemene heffingskorting (AHK) met 0,24%-punt sneller af (vanaf € 30.910), wat leidt tot een hogere marginale druk vanaf het minimumloon tot circa € 78.500.

Arbeidskorting weer koopkrachtknop

Het kabinet is gedeeltelijk tegemoetgekomen aan de kritiek op de arbeidskorting door de extra verhoging wat minder te laten zijn, namelijk € 133.

Op het eerste gezicht lijkt de verhoging van de arbeidskorting met € 173 (maximum € 5.929) gunstig. In combinatie met de beperkte tabelcorrectiefactor zorgt de steilere opbouw echter voor een toename van de marginale druk voor inkomens onder het minimumloon. Dit raakt ook veel medewerkers die in deeltijd werken. Juist voor werknemers die in deeltijd werken en een extra dag willen gaan werken, loont extra werken (netto) nauwelijks. Bovendien geeft de inkomensafhankelijke afbouw van de arbeidskorting ook extra marginale druk.

Bevriezen aftoppingsgrens pensioenopbouw

Het kabinet bevriest het maximum pensioengevend loon en de opbouwruimte voor lijfrenten zes jaar lang (2027 t/m 2032) op het niveau van 2026 (€ 137.800). Dit treft direct zo’n 280.000 professionals in 2027 en loopt op naar 790.000 werkenden in 2032. Hierdoor krijgt straks bijna 10% van de werknemers te maken met de aftoppingsgrens en erodeert het aanvullend pensioen. Het beperken van de pensioenopbouw levert op korte termijn meer inkomstenbelasting op, maar het gaat ten koste van toekomstige opbrengsten voor de schatkist. In het pensioenakkoord van 2019 tussen overheid en sociale partners is afgesproken dat iedereen in de loop van 42 jaar 80% van het middelloon aan pensioen moet kunnen opbouwen. Door de beperking is een goed pensioen voor een steeds grotere groep mensen niet meer haalbaar.

Schrappen personeelskorting in de WKR

De gerichte vrijstelling in de werkkostenregeling voor personeelskorting op branche-eigen producten (max. 20% van de waarde, max. € 500 per jaar) wordt per 1 januari 2027 afgeschaft. Werkenden zien daarmee een gewaardeerde secundaire arbeidsvoorwaarde belast worden. Alleen als de werkgever nog ruimte heeft binnen de vrije ruimte van de werkkostenregeling, kan belastingheffing mogelijk worden voorkomen.

Reiskostenvergoeding

Het enige echte lichtpuntje voor de werkvloer is de verhoging van de onbelaste reiskostenvergoeding van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. Tegelijk is dit nog niet zomaar geregeld. In veel sectoren geldt nog steeds een lagere vergoeding dan fiscaal mogelijk is.

Het kabinet heeft ook een aantal nieuwe maatregelen aangekondigd

Box 3: kleine spaarders en beleggers de klos, forse verlaging heffingsvrij vermogen

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer bij de Algemene Financiële Beschouwingen heeft de minister aangegeven de plannen hieronder alsnog te veranderen en mogelijk kleine spaarders en beleggers toch te ontlasten.

Het kabinet gooit het roer in box 3 om en kiest via een novelle voor een versnelde invoering van de vermogenswinstbelasting: vanaf 2028 vallen alle financiële instrumenten – circa 90% van het relevante vermogen – onder deze heffing op werkelijk gerealiseerde winst, waarna de overige bezittingen in 2030 volgen. Vanaf 2028 geldt daarbij een heffingsvrij resultaat van € 1.000. De overgangsrekening voor deze stelselherziening wordt echter direct bij de burger neergelegd. In 2027 wordt het heffingsvrij vermogen fors teruggeschroefd naar het niveau van 2020 (€ 30.846) en stijgt het forfait voor overige bezittingen met 1,5 procentpunt, waardoor spaarders en beleggers tijdelijk te maken krijgen met een stevige lastenverzwaring.

Overige wijzigingen

Het kabinet reserveert in totaal € 2,1 miljard om de accijnzen op benzine en diesel in 2027 en 2028 te verlagen. De voorgenomen verhoging van de vliegbelasting wordt neerwaarts bijgesteld ter ontlasting van de mobiliteitskosten.

Laatste nieuws

Reactie VCP op start overleg kabinet

7 oktober 2026

Reactie VCP op start overleg kabinet

Zet dé veranderaar voor inclusie in het zonnetje: nomineer voor de Rick Brink Award

5 oktober 2026

Zet dé veranderaar voor inclusie in het zonnetje: nomineer voor de Rick Brink Award

Dank aan alle ondertekenaars van onze petitie

2 oktober 2026

Dank aan alle ondertekenaars van onze petitie

Meer nieuws