Menu

Inhoud:
Loongrens voor zware beroepen lost niets op
De negatieve gevolgen van onderbenutting
Knelpuntenonderzoek CAO’s
Loonontwikkeling
EZ pleit voor kortere WW
StvdA kaart knelpunten jeugdwerkloosheid aan
Meest gestelde vragen over verhoging AOW-leeftijd
Overzicht premies en belastingen 2010

Loongrens voor zware beroepen lost niets op

“Het voorstel van FNV-Bondgenoten om zware beroepen te definiëren tot een inkomen van
€ 35.000 raakt kant nog wal en lost niets op”, aldus MHP-bestuurder Eddy Haket in het persbericht, dat de MHP in reactie op dit voorstel heeft uitgedaan. Er is geen één-op-één relatie tussen de zwaarte van een functie en het inkomen. Bovendien zou dit voor veel werkgevers een legitimatie kunnen betekenen om voor hele groepen geen gedegen levensfasebewust personeelbeleid te voeren.
De MHP vindt het een belediging aan grote groepen werknemers door te stellen dat zware beroepen niet zouden voorkomen onder inkomenscategorieën, die meer dan € 35.000 op jaarbasis verdienen. Een recent onderzoek van TNO-medewerkers geeft aan dat bijvoorbeeld verpleegkundigen, politiemensen en brandweerlieden te maken hebben met fysiek en psychisch zwaar werk. Docenten, artsen en leidinggevenden hebben weliswaar niet fysiek zwaar werk, maar ervaren wel een hoge psychische werkdruk. Ze blijken vaak moeite te hebben om door te werken tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Dit zijn voorbeelden van beroepen, die een inkomen boven de voorgestelde inkomensgrens met zich kunnen meebrengen.
Vervolgens gaf Haket in hetzelfde persbericht aan dat “als zware beroepen gedefinieerd worden aan de hand van een loongrens, veel werkgevers hierin wel eens een legitimatie zouden kunnen zien om geen werk te maken van een levensfasebewust personeelsbeleid”. Juist hiervan moet in de komende tijd veel werk worden gemaakt om mensen in ieder geval in staat te stellen langer te kunnen doorwerken. Sociale partners moeten nu niet met ‘kort door de bocht oplossingen’ komen, maar moeten zichzelf de tijd gunnen de arbeids- en arbeidsongeschiktheidsanalyses goed te bekijken. Op grond daarvan zouden zij een poging kunnen wagen om de zware beroepen goed in kaart te brengen. De MHP acht dit geen makkelijke opgave, maar altijd nog beter dan ongefundeerde suggesties.

De negatieve gevolgen van onderbenutting

Recentelijk heeft de Raad voor Werk en Inkomen (RWI) het onderzoek ‘Onderbenutting bij MBO’ers: trends en verklaringen’ gepresenteerd. Uit het onderzoek komt naar voren dat ongeveer een kwart van de MBO’ers een baan onder het eigen niveau heeft. Onderbenutting komt met name voor bij jongeren (15-29 jaar); 36% van hen is werkzaam onder hun niveau. De gevolgen voor werknemers die onder hun niveau werken, zijn vooral negatief indien de onderbenutting lang duurt. Ongeveer de helft van de schoolverlaters die onder hun opleidingsniveau beginnen, werkt na vier jaar nog steeds op een lager niveau dan de opleiding rechtvaardigt. Langdurig onder je niveau werken, leidt tot verlies van tijdens de opleiding opgedane competenties en kennis. Een dergelijke achterstand wordt slechts langzaam en soms niet, ingelopen. Het rendement van het gevolgde onderwijs wordt daarmee beperkt. Daarnaast verdienen werknemers minder dan ze zouden kunnen, aldus het RWI-onderzoek. Onderbenutting zal in de huidige laagconjunctuur vaker voorkomen. Hoewel het onderzoek zich enkel richt op MBO’ers, zijn de conclusies die in het onderzoek worden getrokken ook van toepassing op personen met een hbo- of wetenschappelijke opleiding. Onderbenutting is niet alleen een verliespost voor het heden, maar ook een remmende factor op het herstel van de economie in de toekomst.

Volgens de MHP verdient dit fenomeen veel meer aandacht. De voorspellingen zijn dat in de toekomst een groter tekort aan hoger opgeleiden is en dan is het juist van belang de capaciteit van deze mensen optimaal te benutten. Bovendien verdringen zij op deze manier de lager opgeleiden, voor welke groep in de toekomst juist een tekort aan banen wordt voorspeld.

Knelpuntenonderzoek CAO’s

In opdracht van het Ministerie van SZW heeft onderzoeksbureau Ecorys onderzoek gedaan naar de knelpunten bij de toepassing van CAO’s, vooral in het mkb. Dit onderzoek is begeleid door sociale partners (namens de MHP: Eddy Haket). Van de onderzochte bedrijven geeft 14% van de mkb-werkgevers aan knelpunten te ondervinden. Bijna een kwart hiervan zijn te verklaren mispercepties, omdat de ervaren knelpunten niet gaan over CAO-bepalingen, maar over wetgeving. Van de rest heeft een groot deel vooral betrekking op inhoudelijke bezwaren. Zij zijn het bijvoorbeeld niet eens met in de CAO afgesproken loonsverhogingen of vergoedingen. Een kleiner deel van de ervaren knelpunten betreft de complexiteit van de CAO’s. Deze werkgevers roepen vooral de hulp van brancheorganisaties in om de CAO-teksten te interpreteren. De algemene conclusie is dat verreweg de meeste werkgevers in het mkb tevreden zijn met de eigen CAO en dat knelpunten niet op grote schaal voorkomen. Voor zover zij zich wel voordoen, gaat het vooral om zeer kleine bedrijven. Het onderzoek is toegezonden aan de Tweede Kamer.

Volgens MHP-bestuurder Eddy Haket wordt met dit onderzoek aangetoond dat het beeld dat vaak door de politiek wordt opgeroepen, dat CAO’s voor veel werkgevers onuitvoerbaar of te duur zijn, niet klopt.

Loonontwikkeling

De Najaarsrapportage van de Arbeidsinspectie laat zien dat de loonontwikkeling in de afgelopen periode drastisch neerwaarts is bijgesteld. De CAO’s die voor 1 januari 2009 werden afgesloten, hadden nog een gemiddelde contractloonstijging van 3,3% op jaarbasis. In de periode tussen
1 januari 2009 en 24 maart 2009 was dit percentage nog 2,7%. Maar de CAO’s die zijn afgesloten na het Sociaal Overleg van 24 maart 2009, komen op jaarbasis gemiddeld uit op 1,1%. Voor de markt- en de overheidssector liggen de contractloonmutaties iets hoger dan in de marktsector, maar dat heeft vooral te maken met de doorlooptijd van de CAO’s.

Met dit rapport van de Arbeidsinspectie wordt volgens de MHP eens te meer aangetoond dat werknemersorganisaties wel degelijk hun verantwoordelijkheid hebben genomen. Door de economische crisis wordt behoud van werkgelegenheid voorop gesteld. Het kabinet heeft met Prinsjesdag voor zijn beurt gesproken, toen het dreigde met een looningreep. Ook de Raad van State zat er toen volledig naast. Deze gaf toen aan dat sociale partners onvoldoende doordrongen waren van wat er loos was. De MHP wist toen wel beter, omdat de onderhandelaars van de aangesloten organisaties in het afgelopen jaar dagelijks geconfronteerd werden met reorganisaties, faillissementen en aanvragen voor werktijdverkorting en deeltijd-WW.

EZ pleit voor kortere WW

De verhoging van de AOW-leeftijd is geen eindpunt, maar een “volgende stap in de goede richting” om werknemers langer aan het werk te houden. Dat schrijft de secretaris-generaal van Economische Zaken (EZ), Chris Buijink, in het jaarlijkse Nieuwjaarsartikel in het vakblad ESB. Hij pleit onder meer voor een kortere WW-uitkering en vindt oudere werknemers te duur. Volgens de MHP ontbreekt het hem aan een toekomstvisie. Juist van het Ministerie van EZ mag men verwachten dat deze een toekomstvisie voor Nederland als kenniseconomie neerlegt. Nu wordt er voor de zoveelste keer een voorstel neergelegd de sociale zekerheid verder te versoberen. In De Telegraaf reageert MHP-bestuurder Eddy Haket onder andere als volgt: ”De WW moet wel een ordentelijk vangnet blijven. Het gaat er niet om dat oudere werknemers niet aan het werk willen; zij kunnen niet aan een baan komen.”

StvdA kaart knelpunten jeugdwerkloosheid aan

De Stichting van de Arbeid (StvdA) heeft in een brief aan staatssecretaris Klijnsma van SZW de knelpunten onder de aandacht gebracht ten aanzien van het Actieplan Bestrijding Jeugdwerkloosheid. In het sociaal akkoord van 24 maart jl. heeft de StvdA met het kabinet afgesproken schoolverlaters in principe niet langer dan drie maanden thuis te laten zitten, bijvoorbeeld door stages aan te bieden. De StvdA wijst erop dat een goede registratie van schoolverlaters per regio en gevolgde (beroeps-)opleiding ontbreekt. Verder blijft de financiering voor de aanpak van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid een probleem, omdat de gelden hiervoor naar de gemeenten zijn gegaan. Hierdoor moeten sociale partners in principe alle 431 wethouders afgaan om de financiering van landelijke afspraken te regelen. Ook krijgt de StvdA signalen dat het UWV en de gemeenten niet gelijkluidende informatie verstrekken.

Op uitdrukkelijk verzoek van de MHP wordt tot slot aandacht besteed aan de jeugdwerkloosheid onder hoger opgeleide jongeren. Ook zij dreigen – vanwege de huidige crisis – langere tijd geen baan te kunnen vinden, maar het hele actieprogramma van de overheid richt zich tot de jongeren, die maximaal een mbo-opleiding hebben gevolgd. De brief is te downloaden via www.stvda.nl

Meest gestelde vragen over verhoging AOW-leeftijd

Het kabinet heeft besloten de AOW-leeftijd te verhogen naar 67 jaar. Wat betekent dit voor mensen met zware beroepen, ouderen die werkloos worden en mensen, die toch eerder willen stoppen ? Wat gebeurt er met het aanvullend pensioen, dat via het pensioenfonds of de verzekeraar is opgebouwd ? De belangrijkste vragen op een rijtje gezet, aangevuld met een kort commentaar van de MHP.

1. Wat is er nu precies besloten ?
Op dit moment krijgt iedereen die 65 jaar wordt en Nederlands ingezetene is, automatisch op 65 jaar levenslang een AOW-uitkering. Voor een alleenstaande komt dit ongeveer neer op €12.900 bruto per jaar, voor een gehuwd echtpaar €17.750.
Het kabinet heeft besloten de ingangsleeftijd van de AOW-uitkering te verhogen. De AOW-leeftijd gaat in twee stappen omhoog naar 67. In 2020 gaat de leeftijd naar 66 jaar en vijf later, in 2025, naar 67 jaar. Dat betekent dat er niets verandert voor mensen, die geboren zijn vóór 1 januari 1955. Die krijgen gewoon vanaf hun 65ste een AOW-uitkering. Mensen die geboren zijn tussen 1 januari 1955 en 1 januari 1960 krijgen AOW vanaf hun 66ste en mensen die geboren zijn na 31 december 1959, krijgen pas een AOW-uitkering vanaf hun 67ste.

Commentaar MHP
De MHP acht de voorgestelde leeftijdsverhoging van de AOW een te rigide systeem. Daarom had de MHP voorgesteld de AOW te moderniseren. Mensen kunnen volgens dit plan zelf kiezen op welk moment tussen 65 en 70 jaar zij de AOW-uitkering laten ingaan. Afhankelijk van de aard van het werk en de persoonlijke omstandigheden van een werknemer, zal de ene persoon eerder willen stoppen met werken dan de andere. Ook deeltijdpensioen maakte uitdrukkelijk onderdeel uit van dit voorstel. Mensen moeten zelf kunnen kiezen en die keuze moet niet van boven af worden opgelegd door de overheid. Hoe later de AOW volgens dit plan ingaat, hoe hoger de AOW-uitkering. Hierin zit een prikkel om langer door te werken, waardoor de overheid ook extra belastinginkomsten krijgt en waarmee wij ervoor zorgen dat de arbeidsparticipatie stijgt.

2. Komen er uitzonderingen ?
Ja. In beginsel worden er voor drie categorieën aparte regelingen getroffen:
– mensen met een lang arbeidsverleden,
– mensen met een WW-uitkering of arbeidsongeschiktheidsuitkering, en
– mensen die lange tijd een zogenaamd zwaar beroep hebben uitgeoefend.

Lang arbeidsverleden
In 2020 kunnen mensen op hun 65ste van de AOW gaan genieten, mits ze de laatste 15 jaar van hun carrière ‘substantieel’ gewerkt hebben. Daarna wordt die eis ieder jaar een jaar hoger, totdat het minimum aantal gewerkte jaren voor een AOW-uitkering op 65-jarige leeftijd in 2047 op 42 uitkomt. Dit geldt voor werknemers en zelfstandigen. Ze hoeven dus niet per se in loondienst te zijn geweest.
Onder ‘substantieel werken’ wordt in dit verband minimaal 1225 uren per jaar verstaan. Dit komt neer op een gemiddelde werkweek van drie dagen. Wie minder dan drie dagen per week heeft gewerkt of een periode werkloos is geweest, krijgt dus niet de mogelijkheid om al op zijn 65ste AOW te ontvangen.
Wie gebruik maakt van deze regeling, moet er wel rekening mee houden dat de AOW-uitkering (levenslang) gekort zal worden. De AOW een jaar eerder laten ingaan (dus 66 jaar in plaats van 67 jaar, of 65 jaar in plaats van 66 jaar) betekent naar de huidige inzichten een korting op de AOW-uitkering van 6,7%. Twee jaar eerder laten ingaan (65 jaar in plaats van 67 jaar) betekent een levenslange korting van 13,4% op de AOW-uitkering. Verder mag men de AOW-uitkering niet eerder laten ingaan, als daardoor het inkomen onder het sociaal minimum terecht zou komen.

Commentaar MHP
Volgens de MHP stelt deze uitzondering weinig voor. Mensen betalen zelf de rekening indien ze eerder stoppen in verband met een lang arbeidsverleden. Ze worden immers gekort op de AOW-uitkering. De flexibiliteit van de AOW-leeftijd wordt hiermee tot het uiterste beperkt.

Uitkeringsgerechtigden
Voor degenen van wie de WW-uitkering of arbeidsongeschiktheidsuitkering na hun 65ste afloopt, wordt een speciale regeling getroffen ter overbrugging tot de nieuwe AOW-leeftijd. Het kabinet heeft aangegeven dat het een uitkering gaat worden, die qua niveau vergelijkbaar is met de AOW-uitkering. Voordeel ten opzichte van de gewone bijstandsuitkering is dat er niet gekort wordt op de uitkering in het geval de partner een eigen inkomen heeft of in het geval betrokkene vermogen heeft opgebouwd. Wel moet men beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt tot het bereiken van de (nieuwe) AOW-leeftijd. Over de exacte vormgeving van deze overbruggingsuitkering moet nog worden besloten.

Commentaar MHP
De MHP vindt het onbegrijpelijk dat het kabinet alleen bereid is iets te regelen voor mensen, voor wie de uitkering pas na hun 65ste afloopt. Degenen, van wie de werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering al voor 65 jaar afloopt, zullen twee jaar langer op bijstandsniveau uitkomen, met eventueel een toets op het inkomen van de partner en een toets op het vermogen (met alle mogelijke gevolgen, zoals als het opeten van het eigen huis). Daarom pleit de MHP ervoor de voorgestelde regeling uit te breiden tot alle mensen met een uitkering. De kans van het vinden op een baan op oudere leeftijd is immers zeer gering.

Zware beroepen
Werkgevers moeten er in de toekomst voor zorgen dat mensen met zware beroepen na uiterlijk 30 jaar de kans krijgen om minder zwaar werk te gaan doen om te voorkomen dat zij al ver voor de pensioendatum versleten zijn. Doet de werkgever dat niet, dan moet hij het mogelijk maken dat de werknemer toch op zijn 65ste kan stoppen door hem financieel te compenseren met 140% van het jaarsalaris (tweemaal 70%). Zware beroepen zijn volgens het kabinet beroepen, die – als ze langer dan 30 jaar worden uitgeoefend – leiden tot (ernstige) fysieke slijtage, die niet meer is terug te draaien.

Commentaar MHP
Volgens de MHP is het vrijwel onmogelijk een lijst van zware beroepen op te stellen. Dit is niet alleen afhankelijk van de aard van de werkzaamheden, maar ook van persoonlijke eigenschappen. Het kabinet lijkt bovendien alleen te willen kijken naar fysiek zware beroepen en gaat daarmee voorbij aan de psychisch zware beroepen.
Er zullen nog heel veel uitvoeringsproblemen met de zware beroepenregeling komen. Twee kleine voorbeelden. Wie wordt verantwoordelijk, indien men een zwaar beroep bij meerdere werkgevers heeft gehad ? Hoe zorgt een kleine werkgever voor minder belastende arbeid ?

3. Wat gebeurt er met het aanvullend pensioen ?
Veel mensen bouwen ook nog een aanvullend pensioen op via hun werkgever (ondergebracht bij een pensioenfonds of een verzekeraar). Idealiter vormen de AOW-uitkering en het aanvullend pensioen samen vanaf 65 jaar ongeveer 70% van het laatstverdiende loon. Het kabinet gaat de fiscale faciliteit om dit te kunnen bereiken, versoberen. Vanaf 2020 wordt de maximale pensioenopbouw gericht op 67 jaar in plaats van op 65 jaar. Op reeds opgebouwd pensioen kan de overheid niet korten.

Voorbeeld
Een werknemer heeft in 2020 gedurende 20 jaar pensioen opgebouwd met het oog op een pensioendatum van 65 jaar. De resterende 20 jaar wordt pensioen opgebouwd, gericht op een pensioenleeftijd van 67 jaar. Voor het gedeelte van het aanvullend pensioen geldt dan ongeveer een pensioenleeftijd van 66 jaar. Voor het AOW-gedeelte geldt dan inmiddels een pensioenleeftijd van 67 jaar. Deze persoon zal dan ergens tussen 66 en 67 jaar een volwaardig pensioen (AOW en aanvullend pensioen samen) kunnen bereiken. Naarmate het aanvullend pensioen hoger is, zal de pensioenleeftijd dichter tegen 66 jaar aanliggen.

Commentaar MHP
De MHP betreurt het dat ook de opbouw voor aanvullende pensioenen worden beperkt. Er zijn in de praktijk maar weinig mensen, die ongeveer 70% van het laatstverdiende loon aan pensioen bereiken. Deze situatie blijft voor hen bestaan, indien de aanvullende pensioenopbouw ook wordt beperkt. Ze kunnen het pensioengat niet dichten door wat langer door te werken.
Ook wordt een deel van het aanvullend pensioen in sommige gevallen gebruikt als overbrugging tot de AOW-leeftijd (bijvoorbeeld bij functioneel leeftijdsontslag of in een uitkeringssituatie). Deze overbruggingsperiode wordt met de kabinetsmaatregelen twee jaar verlengd.

4. Wie bepaalt wat zware beroepen zijn ?
Werkgevers- en werknemersorganisatie in een sector kunnen beroepen voordragen als een zwaar beroep; uiteindelijk besluit het kabinet of een beroep als zwaar wordt aangemerkt. In ieder geval moet het gaan om beroepen, die leiden tot (ernstige) fysieke slijtage. Sociale partners mogen alleen beroepen voordragen, die volgens in de wet opgenomen criteria daarvoor in aanmerking komen. Het moet gaan om een sector, waarin werknemers aanmerkelijker vaker en al jarenlang bovengemiddeld arbeidsongeschikt raken. Daarnaast moet uit de jaarlijkse arbeidsomstandighedenenquête onder werknemers blijken dat het beroep wat risico’s en gevolgen voor de gezondheid betreft, inderdaad tot de zwaarste categorie behoort.
Het aanmelden van een zwaar beroep is niet vrijblijvend, maar kent daarnaast verplichtingen. Werkgevers en werknemers in die sector moeten tegelijkertijd een gezamenlijk actieplan inleveren hoe zij werk in dat beroep lichter willen maken, hoe ze arbeidsongeschiktheid willen verminderen en de duurzame inzetbaarheid van werknemers in dat beroep willen verbeteren.

Commentaar MHP
De MHP betreurt het dat beroepen met een zware psychische belasting niet als ‘zwaar beroep’ kunnen worden aangemerkt. Bijvoorbeeld: bepaalde leidinggevende functies, functies in de verpleging of bij de politie.
Verder vreest de MHP dat er weinig werkgeversvertegenwoordigers bereid zullen zijn medewerking te verlenen aan het voordragen van zware beroepen. Ze lopen immers het risico zichzelf ‘een boete’ op te leggen van 140% van het salaris.

5. Wat gebeurt er met het zogenaamde functioneel leeftijdsontslag ?
Met het oog op veiligheid zijn er verschillende functies, die vanaf een bepaalde leeftijd niet meer uitgeoefend mogen worden. Voorbeelden zijn: politie, militairen, brandweer, piloten etc. Dit noemt men ook wel functioneel leeftijdsontslag (flo). Voor 2006 waren nog aparte fiscale regelingen mogelijk om deze vervroegde uittreding mogelijk te maken. Met het vervallen van de (fiscale) VUT-regelingen in 2006 zijn ook de mogelijkheden van flo-regelingen beperkt. Het functioneel leeftijdsontslag wordt nu vooral via aanvullende arbeidsvoorwaardelijke afspraken gefinancierd en/of uit de aanvullende pensioenen. Door een beperking van de fiscale mogelijkheden om pensioen op te bouwen wordt het financieringsprobleem verder vergroot en komen flo-regelingen nog verder onder druk te staan.

Commentaar MHP
Verschillende functies kunnen nauwelijks nog op hogere leeftijd worden uitgeoefend. Ze kunnen te grote veiligheidsrisico’s voor betrokkenen zelf of voor de omgeving met zich meebrengen. Dit zijn algemeen maatschappelijk geaccepteerde normen, die wij hiervoor hanteren. Zolang dit het geval is, hebben we in Nederland ook de zorg voor die mensen, die deze beroepen uitoefenen. Als er besloten wordt dat zij niet meer vervroegd kunnen uittreden, moet ook ervoor worden gezorgd dat deze mensen op tijd een andere functie, van een vergelijkbaar niveau, wordt aangeboden.

Overzicht premies en belastingen 2010

Laatste nieuws

PensioenLab weer van start!

6 oktober 2022

PensioenLab weer van start!

Sociale zekerheid

6 oktober 2022

Werkcoalitie: Bied mensen met een arbeidsbeperking bestaanszekerheid

Pensioen schoonouders worden oma en opa

6 oktober 2022

VCP: uitstel invoering pensioenwet was te voorzien

Meer nieuws
Naar boven