Menu

Inhoud:
Kort commentaar MHP op Miljoenennota 2011

Kort commentaar MHP op Miljoenennota 2011

Vooraf

In tegenstelling tot voorgaande jaren, waarin op vrijwel alle voorstellen ten aanzien van het sociaal-economisch beleid wordt ingegaan, beperkt de Vakcentrale voor middengroepen en hoger personeel (MHP) zich in dit commentaar slechts tot enkele hoofdlijnen uit de Miljoenennota en een aantal specifieke onderwerpen, dat op korte termijn in de Tweede Kamer aan de orde komt. Dit gelet op de bijzondere situatie, dat er nog geen nieuw kabinet gevormd is en het besluit van de Tweede Kamer om geen Algemene Beschouwingen te houden naar aanleiding van het verschijnen van de Miljoenennota. De MHP zal op het moment, dat een nieuw kabinet zijn beleid voor de komende jaren presenteert, uitgebreider op de diverse voorstellen ingaan.

 

Algemeen economisch beeld en rol CPB-ramingen

Bij het verschijnen van de Miljoenennota 2010 wees de MHP er al op, dat het er op leek of er een veel te negatief beeld werd geschetst van de economische situatie om maatregelen, die op zich betrekking hebben op de langere termijn, versneld door te voeren. Daarmee wil de MHP de problematiek van de houdbaarheid van de toekomstige overheidsfinanciën niet bagatelliseren, maar worden er wel kanttekeningen geplaatst bij het uiterst sombere beeld, dat geschetst werd in de Miljoenennota van het kabinet en de Macro Economische Verkenningen van het Centraal Planbureau (CPB).
Een jaar later blijkt dat de situatie minder dramatisch is: de werkloosheid is minder snel gestegen en de stand van de overheidsfinanciën zijn internationaal bezien minder slecht dan toen nog werd aangenomen.

Om die reden plaatst de MHP de nodige vraagtekens bij de ramingen van het Centraal Planbureau. Een goede illustratie hiervan zijn de ramingen van het CPB over de economische groei voor Nederland voor de jaren 2009 en 2010. Optimisme sloeg snel om in pessimisme en achteraf moet geconcludeerd worden dat het pessimisme weer te pessimistisch was.

                                                                                                           

  2009 2010
april 2008

1,75%

 

juni 2008

1,25%

 

september 2008

1,25%

 

december 2008

-0,75%

 

april 2009

-3,5%

-0,25%

juni 2009

-4,75%

-0,5%

september 2009

-4,75%

0,0%

december 2009

-4,0%

1,5%

april 2010

-4,0%

1,5%

juni 2010

-4,0%

1,25%

september 2010

-3,9%

1,75%

Ook andere kerncijfers, zoals de inflatie, de arbeidsproductiviteit, en het emu-saldo vertonen in de loop van de tijd grote schommelingen. De MHP heeft in het verleden al vaker kritiek geuit op de wijze waarop CPB-cijfers worden gepresenteerd en de waarde die aan de ramingen wordt gehecht. Door de beleidsmatige en politieke interpretatie wordt beleid vastgesteld, dat vaak achteraf bezien op verkeerde vooronderstellingen is gebaseerd. De MHP doet daarom een oproep aan politieke besluitvormers om de rol van het CPB meer te relativeren. In overheidsbesluiten voor de langere termijn met een grote impact (zoals het forse bezuinigingspakket, dat in het vooruitzicht wordt gesteld) zou meer rekening moeten worden gehouden met mogelijk wijzigende omstandigheden, die op het moment van besluitvorming nog niet overzien kunnen worden. Met andere woorden, de MHP pleit er voor geen onomkeerbare stappen te zetten op grond van ramingen, die achteraf bezien verre van de waarheid kunnen liggen. Er moet nog een weg terug mogelijk blijven, maar ook een mogelijkheid om extra stappen te zetten. De voortdurende wijzigingen in CPB-ramingen rechtvaardigen dat overheidsbesluiten voor de langere termijn tussentijds kunnen worden bijgestuurd.

  

MHP roept de politiek op CPB-voorspellingen te relativeren op hun waarheidsgehalte en daarmee op grond van deze cijfers geen onomkeerbare besluiten te nemen voor de toekomst.

Bezuinigingen

De verslechterde economische situatie is voor de MHP wel reden om alle zeilen bij te zetten. Dat geldt wat de MHP betreft primair voor het tegengaan van de opgelopen werkloosheid en het in veilige havens loodsen van ons pensioengebouw. Ook het op orde brengen van de staatschuld hoort daarbij. De BV Nederland is ook niet geholpen bij een fors oplopende staatsschuld, omdat de rekening hiervan (de te betalen rente over de staatsschuld) wordt doorgeschoven naar toekomstige generaties. Volgens de MHP moet dat dan niet alleen in de vorm van allerlei lastenverzwaringen en bezuinigingen, die meestal eenzijdig terecht komen bij bepaalde groepen, zoals de middengroepen, maar vooral via een extra inzet op de verhoging van de arbeidsparticipatie, arbeidsproductiviteit en innovatie. We zullen echter ook niet ontkomen aan bezuinigingen, maar de rekening hiervan moet dan evenwichtig verdeeld worden over bedrijven, overheid en huishoudens (onderling).
Het pakket aan bezuinigingen, dat dit demissionaire kabinet neemt, is volgens de MHP vooral ingegeven uit financiële overwegingen op de korte termijn, maar is onvoldoende getoetst op de gevolgen op langere termijn. Zo zal de forse bezuiniging op de kinderopvang een negatief effect hebben op de doelstellingen van een hogere arbeidsparticipatie en is de taakstelling voor het overheidsapparaat niet gestoeld op een beleidsvisie ten aanzien van de vraag waarvoor de overheid in de toekomst nog wel en niet verantwoordelijk is.

  

MHP vindt dat de focus van de bezuinigingen veel te veel ligt op de korte termijn om collectieve lasten te reduceren, maar dat de negatieve gevolgen van die bezuinigingen voor de langere termijn worden genegeerd.

Bezuinigingen kinderopvang

De MHP kan de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag niet anders typeren dan een ‘desinvestering’. De bezuinigingen op de kinderopvang staan zelfs haaks op de eerdere ambities van dit kabinet om de arbeidsparticipatie van vooral vrouwen te verhogen via betaalbare kinderopvang. In 2011 en 2012 wordt bijna € 600 miljoen bezuinigd op de kinderopvangtoeslag en daarmee wordt ongeveer een vijfde deel van de rijksbijdrage aan kinderopvang onttrokken. Voor deeltijdwerkers wordt het op deze manier niet bepaald aantrekkelijk gemaakt om banen uit te breiden en voor niet-werkenden om toe te treden tot de arbeidsmarkt. Het is zelfs zo dat minder werken nog nauwelijks een inkomensachteruitgang met zich mee zal brengen. In de bijlage bij dit commentaar wordt dit verduidelijkt aan de hand van een voorbeeld.

In toenemende mate hebben ouders behoefte aan flexibele vormen van kinderopvang. Niet alleen werk op onregelmatige werktijden, zoals avond- en weekenddiensten, maar ook de behoefte om werktijden anders in te richten (bijvoorbeeld om arbeid en zorg beter te kunnen combineren), leiden tot een grotere vraag naar kinderopvang buiten de normale kantooruren. Sommige reguliere kinderdagverblijfcentra proberen hierop in te spelen, maar het merendeel concentreert zich op de reguliere werktijden. Daarom zit er voor veel ouders niets anders op dan zich te wenden tot gastouderopvang, omdat deze vorm van kinderopvang in het algemeen wel de benodigde flexibiliteit biedt. Het is volgens de MHP daarom onbegrijpelijk dat juist de gastouderopvang wordt ontmoedigd door de overheidsbijdrage hieraan nog verder terug te dringen.

  

Volgens de MHP worden de gevolgen van de forse bezuiniging op de kinderopvangtoeslag onvoldoende onder ogen gezien. De effecten op de arbeidsparticipatie zijn onvoldoende in beeld gebracht.

Bezuinigingen overheidsapparaat

Hoewel de MHP in het kader van het terugdringen van de staatschuld van mening is dat ook de overheid zelf zijn steentje moet bijdragen om tot een eerlijke verdeling van de lasten te komen, ontbreekt iedere onderbouwing en beleidsvisie voor de taakstelling, die de collectieve en specifiek de overheidssector nu wordt opgelegd. Indien de uitgaven moeten worden gereduceerd, moet het kabinet de durf hebben om dingen ook echt anders aan te gaan pakken. Dus niet eerst met de kaasschaaf en dan met de botte bijl, maar met visie en daadkracht veranderingen opzetten en inzetten. Er zullen daadwerkelijk keuzes moeten worden gemaakt voor welke taken de overheid wel en niet verantwoordelijk is en kan worden gehouden. Vorig jaar werd in de Trendnota nog gesignaleerd, dat in de publieke sector “de grenzen van de bedrijfsmatige benadering in zicht komen”. Volgens de MHP zijn deze grenzen in delen van de publieke dienstverlening al bereikt en zelfs overschreden, zoals bij de politie, justitiële inrichtingen en het onderwijs. De kwaliteit van de dienstverlening is hierdoor zwaar onder druk komen te staan. Een extra taakstelling om de personeelsomvang te reduceren kan voor onderdelen in de collectieve sector daarmee de nekslag betekenen, als er niet eerst duidelijke keuzes worden gemaakt.

Maar ook zal er blijvende aandacht moeten zijn voor de arbeidsvoorwaardenontwikkeling ten opzichte van de marktsector. Een structureel en kwalitatief goede dienstverlening door de collectieve sector valt of staat ook bij arbeidsvoorwaarden, die zich over de hele linie kunnen meten met die in de marktsector. Dat geldt voor het onderwijs, de gezondheidszorg, maar ook voor werknemers in de diverse bestuurslagen. Daarom wijst de MHP het mes zetten in de arbeidsvoorwaarden, bijvoorbeeld via een nullijn, af. Op den duur zal het steeds moeilijker worden om goed gekwalificeerd personeel aan te trekken in de collectieve sector, waardoor de kwaliteit voor de uitvoering van overheidstaken niet waargemaakt kan worden.

  

Het mes zetten in het aantal ambtenaren heeft volgens de MHP grote gevolgen voor de kwaliteit van dienstverlening van het overheidsapparaat, indien daaraan voorafgaand niet eerst duidelijke keuzes worden gemaakt, waarvoor de overheid wel en niet verantwoordelijk is. Ook bij een afgeslankte overheid zal het totale arbeidsvoorwaardenpakket zich moeten kunnen meten met dat van de marktsector om goed kwalitatief personeel aan te kunnen trekken. De voorgestelde ingrepen in de arbeidsvoorwaarden wijst de MHP om die reden van de hand.

Tumult over pensioenen

De huidige berichtgeving over de dekkingssaldi van pensioenfondsen leidt er in toenemende mate toe dat het Nederlandse pensioenstelsel ten onrechte ter discussie wordt gesteld. Internationaal gezien, wordt het Nederlandse pensioenstelsel (een mengeling van omslag- en kapitaalfinanciering met collectieve solidariteit) nog steeds zeer geprezen. De lage dekkingssaldi op dit moment worden vooral veroorzaakt door de historisch lage rentestand van de tienjarige swaprente, waarmee pensioenfondsen moeten rekenen om hun toekomstige beleggingsopbrengsten te bepalen. Deels is dit een boekhoudkundig vraagstuk, omdat het niet reëel is te veronderstellen dat de rentestand structureel op het huidige niveau zal blijven. De lagere dekkingssaldi hebben echter ook te maken met het langleven risico. Dit heeft een meer structureel karakter. Wij worden met z’n allen ouder dan we eerder hadden voorzien. Juist ten aanzien van het langleven risico hebben sociale partners afspraken gemaakt in het pensioenakkoord om de extra druk hiervan op de premies en de fondsen te neutraliseren. Daarnaast zijn er voorstellen gedaan voor een hierop afgestemde eerste pijler (AOW) en moet nog een pakket aan concrete maatregelen worden afgesproken om mensen daadwerkelijk in staat te stellen langer door te werken. Voor het laatste onderdeel zijn sociale partners binnen de Stichting van de Arbeid momenteel hard aan het werk om dit goed tot in detail uit te werken. Maar ook wordt een beroep gedaan op de politiek om het pensioenakkoord te respecteren en hieraan mee te werken, zowel in de rol van wetgever als in de rol van werkgever. Om ervoor te zorgen dat het pensioenakkoord een wezenlijke bijdrage levert aan de toekomstbestendigheid van het Nederlandse pensioenstelsel, is het voor de MHP noodzakelijk dat alle partijen het pensioenakkoord naleven.
Sociale partners zijn bezig met het oplossen van de structurele problemen, terwijl de actuele discussie over de dekkingssaldi vooral wordt veroorzaakt door een relatief tijdelijk probleem. De politiek zou er volgens de MHP verstandig aan doen het vertrouwen in ons Nederlandse pensioenstelsel te bevorderen in plaats van ter discussie te stellen.

  

De MHP doet een dringende oproep op de politiek om samen met sociale partners het vertrouwen in het Nederlandse pensioenstelsel (omslag- en kapitaalfinanciering) te bevorderen en zo nodig te herstellen en mee te werken aan de uitvoering van het pensioenakkoord van de Stichting van de Arbeid.

 

Koopkrachtontwikkeling

Hoewel de Miljoenennota een beeld schetst, dat over de hele linie het lastenbeeld in 2011 licht negatief is, constateert de MHP dat dit niet de juiste weergave van de feitelijke situatie in 2011 is. Om te beginnen blijkt uit de Macro Economische Verkenningen dat de werkgevers per saldo geen lastenverzwaring zullen ondervinden, dit in tegenstelling tot gezinnen. Binnen de huishoudens lijkt er over de hele linie een licht negatief beeld te zijn qua koopkrachtontwikkeling, maar de aangekondigde maatregelen treffen bepaalde categorieën (vele malen) harder dan andere. In die zin is er nauwelijks sprake van een evenwichtige verdeling van de rekening. Enkele groepen die onevenredig mee gaan betalen aan de rekening van de overheid, zijn de volgende:

  • Jonge gezinnen met kinderen die gebruik maken van kinderopvang (de eigen bijdrage kan in sommige gevallen twee maal zo hoog uitpakken, waardoor de koopkracht tot wel 10% kan dalen) worden verreweg het hardst betroffen (zie tevens bijlage).
  • Ambtenaren zullen te maken krijgen met een nullijn, waardoor hun koopkracht meer dan gemiddeld uit de koopkrachtplaatjes blijkt, zal dalen.
  • Mensen die bepaalde vormen van zorg nodig hebben, waarop bezuinigd wordt, worden harder getroffen, omdat zij ofwel een duurdere aanvullende verzekering zullen moeten afsluiten, ofwel de kosten van deze vormen van zorg zelf moeten betalen.
  • AOW-gerechtigden uit de middengroepen en daarboven, zijn voor een groter deel van hun inkomen afhankelijk van hun aanvullend pensioen. Vanwege het achterblijven van de indexatie van het aanvullend pensioen en de introductie van de houdbaarheidsbijdrage zal hun koopkracht achterblijven bij de AOW-gerechtigden met een lager inkomen.

  

Het beeld dat in de Miljoenennota wordt geschetst, dat de rekening van de bezuinigingen evenwichtig wordt verdeeld, is volgens de MHP misleidend. Ten eerste worden bedrijven ontzien en ten tweede worden sommige categorieën van huishoudens harder getroffen door de bezuinigingen dan andere.

Specifieke voorstellen

 

Beperking vervaltermijn vakantiedagen

Onlangs heeft minister Donner van SZW een voorstel ingediend bij de Tweede Kamer om de vervaltermijn van wettelijke vakantiedagen in te korten van vijf naar anderhalf jaar. De MHP vindt deze maatregel onbegrijpelijk. Als onderbouwing van het wetsvoorstel wordt het argument gebruikt dat een kortere vervaltermijn juist in het belang is van werknemers. Het zou voor hun eigen veiligheid en gezondheid van belang zijn om met regelmaat te recupereren door vakantie op te nemen. Daarmee wordt volgens het kabinet uitval wegens overbelasting voorkomen. In 2001 werd de verjaringstermijn juist opgerekt van twee naar vijf jaar om het verlofsparen mogelijk te maken. Toen werd het juist nog als wenselijk gezien dat werknemers meer mogelijkheden kregen om vakantiedagen te sparen teneinde een langere periode verlof op te nemen (bijvoorbeeld voor een sabbatical) en vakantiedagen flexibeler te kunnen inzetten. Volgens de MHP is die behoefte nog steeds aanwezig en ligt een beperking van de vervaltermijn niet in de rede. Er is voorafgaand aan het wetsvoorstel bovendien geen onderzoek onder werknemers gedaan naar de vraag of behoeftes van werknemers gewijzigd zijn.

 

Samenloop ziekte-uitkering en WW-uitkering

In een recent gestuurd wetsontwerp wordt voorgesteld om voortaan de ziekteperiode van een werkloze te verrekenen met de periode, waarin recht bestaat op een WW-uitkering. Nu verschuift de einddatum van het recht op een WW-uitkering nog met de periode dat een werkloze langer dan dertien weken ziek is. Het voorstel geldt niet alleen voor mensen die al werkloos zijn, maar ook voor werknemers die werkloos worden tijdens een ziekteperiode. Het kabinet heeft deze maatregel al eerder aangekondigd op Prinsjesdag in 2009, maar dit voornemen heeft recent pas geleid tot de indiening van een concreet wetsvoorstel. De MHP is van mening dat deze maatregel haaks staat op het uitgangspunt dat een periode van een WW-uitkering ervoor dient een werkloze in staat te stellen een andere baan te kunnen vinden (naast de doelstelling van inkomensbescherming). Met deze maatregel wordt die zoekperiode ingekort. Het lijkt daarom niets anders dan een bezuinigingsmaatregel. In een tijd van een opgelopen werkloosheid lijkt dit bovendien op het wijzigen van de spelregels gedurende de wedstrijd.

 

Houdbaarheidsbijdrage

Vanaf 2011 wordt de zogenaamde ‘houdbaarheidsbijdrage’ ingevoerd, waartoe de Tweede Kamer in vorige zitting heeft besloten. In feite behelst deze houdbaarheidsbijdrage een geleidelijke fiscalisering van de AOW-premie in de tweede schijf. Vanaf 2011 wordt de tweede belastingschijf nog slechts gedeeltelijk geïndexeerd, waardoor AOW-gerechtigden met een inkomen boven € 32.000 een hoger belastingtarief gaan betalen. Door deze extra opbrengsten te gebruiken voor de AOW-financiering, betalen deze gepensioneerden dus mee aan hun eigen AOW. Volgens de MHP komt hiermee het onvoorwaardelijk karakter van het basispensioen in het gedrang. Het laten meebetalen van (een deel van) de ouderen aan het eigen pensioen tast bovendien de koopkracht van de groep van wie het aanvullend pensioen toch al niet wordt geïndexeerd, zij het in geringe mate, nog verder aan. De opbrengsten voor de overheid zijn minimaal en wegen waarschijnlijk de eerste jaren niet op tegen de extra uitvoeringskosten (er moeten voortaan verschillende belastingschijven gehanteerd worden voor generaties geboren voor en na 1945). Tegen de tijd dat de fiscalisering daadwerkelijk ook voor de overheid ‘geld gaat opleveren’, is ons fiscale stelsel al toe aan een grondige vernieuwing.

 

Wetsvoorstel aftopping ontslagvergoeding

Bij de Tweede Kamer ligt nog steeds het wetsvoorstel om de ontslagvergoeding via de kantonrechter te limiteren op een jaarsalaris vanaf een inkomen van € 75.000. Al eerder heeft de MHP aangegeven, dat dit tot de bizarre situatie kan leiden, dat een persoon met een inkomen van € 74.999 een veelvoud aan een ontslagvergoeding kan meekrijgen, in vergelijking met iemand die € 75.000 verdient. De onderbouwing van het wetsvoorstel is ongefundeerd en dit geldt specifiek voor de arbitrair gekozen grens van € 75.000. Ook wordt eraan voorbijgegaan, dat juist voor werknemers met een inkomen boven het zogenaamde maximumdagloon, de ontslagvergoeding hard nodig is om 70% van het laatst genoten salaris te kunnen bereiken. Tot slot draagt het op geen enkele wijze bij aan een hogere arbeidsparticipatie of meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt.

  

De MHP roept de Tweede Kamer op om te bewerkstelligen dat via het Belastingplan 2011 de daadwerkelijke invoeringsdatum voor de houdbaarheidsbijdrage voorlopig wordt uitgesteld. Verder dringt de MHP erop aan om geen onomkeerbare stappen te zetten ten aanzien van de wetsvoorstellen over de beperking van de vervaltermijn van wettelijke vakantiedagen, over de samenloop van ziekte en werkloosheid en over limitering van de ontslagvergoeding, maar besluitvorming over de wenselijkheid hiervan op te houden nadat een nieuw kabinet is aangetreden.

Download bijlage

Laatste nieuws

Advies Commissie Parameters is er eindelijk, nu de impactberekeningen nog

1 december 2022

Advies Commissie Parameters is er eindelijk, nu de impactberekeningen nog

Kort verslag debat Begroting SZW

1 december 2022

Kort verslag debat Begroting SZW

Prioriteiten voor de begroting SZW

29 november 2022

Prioriteiten voor de begroting SZW

Meer nieuws
Naar boven