Menu

Inhoud:
Hoorzitting Tweede Kamer over AOW
MHP tegen verdere verlaging opbouwpercentage pensioenen
Rapport Commissie Frijns
Commissie Goudswaard publiceert rapport ’Pensioenen nu niet toekomstbestendig ?’
Kabinet zou zzp-ers te hulp moeten schieten
Donner wil nog minder pro forma ontslagzaken
Mario Lander interim voorzitter De Unie

Hoorzitting Tweede Kamer over AOW

“De politiek creëert het probleem van de zware beroepen, niet sociale partners. Dus u moet dit probleem ook zelf oplossen.” Dit bracht MHP-voorzitter Richard Steenborg onder andere te berde in een hoorzitting van de Tweede Kamer over de ophoging van de AOW-leeftijd.
Op 20 januari jl. hield de Vaste Kamercommissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de hele dag hoorzittingen over de kabinetsvoornemens om de AOW-leeftijd op te hogen naar 67 jaar. Ook MHP-voorzitter Richard Steenborg werd gehoord. Steenborg deed nog een indringend verzoek het oorspronkelijke voorstel van de drie vakcentrales bij de discussie te betrekken. In dit voorstel staan de keuzevrijheid van mensen over het moment waarop zij de AOW-uitkering laten ingaan, en het financieel stimuleren van langer doorwerken centraal. Er is ook geen aparte regeling voor zware beroepen nodig. Verder bepleitte Steenborg de voorgenomen bezuinigingen op de aanvullende pensioenen achterwege te laten.

Desgevraagd gaf Steenborg aan niets te zien in een inkomensgrens voor een zware beroepenregeling. Wel vroeg hij aandacht voor de psychisch zware beroepen en het functioneel leeftijdsontslag (beroepen, die bij uitoefening op hoge leeftijd een gevaar met zich kunnen meebrengen voor betrokkenen zelf of voor de omgeving). De MHP is van mening dat, als er een zware beroepenregeling komt, deze objectief moet zijn en zo dicht mogelijk moet aansluiten bij de werkelijkheid. De laatste tijd zijn proefballonnetjes gelanceerd met voorstellen voor een inkomensgrens, een lang arbeidsverleden of het opleidingsniveau als criterium voor een zware beroepenregeling. Deze lossen volgens de MHP niets op, omdat er dan veel zware beroepen buiten vallen. Een sluitende regeling zal praktisch onmogelijk zijn, maar deze voorstellen staan daar wel heel ver vanaf.

MHP tegen verdere verlaging opbouwpercentage pensioenen

Met de verhoging van de AOW-leeftijd staat ook het wettelijk kader van de aanvullende pensioenen ter discussie. Het kabinet heeft bij de Tweede Kamer tegelijkertijd een wetsvoorstel ingediend, waarin wordt geregeld dat vanaf 2020 het opbouwpercentage met 0,1% wordt verlaagd en de pensioenrichtleeftijd wordt opgetrokken naar 67 jaar.
Het wettelijk kader, het zogenoemde ‘Witteveenkader’, bevat een aantal variabalen, die de een grens stellen aan de maximale pensioenopbouw: pensioenrichtleeftijd, maximaal opbouwpercentage en minimale franchise. Sinds het zogenaamde Museumpleinakkoord zijn er in beginsel drie verschillende combinaties van franchise en opbouwpercentage mogelijk.

Minimale franchise

opbouwpercentage middelloonregeling

opbouwpercentage eindloonregeling

€ 12.673

2,15% – 2,25%

1,9% – 2,0%

€ 11.597

2,05% – 2,15%

1,8% – 1,9%

€ 10.481

< 2,05%

< 1,8%

In de AOW-discussie pleiten FNV en CNV voor meer mogelijkheden om de franchise verder te verlagen (met bijbehorende lagere opbouwpercentages). De MHP is hiervan geen voorstander. Bij een lagere franchise hoort ook een lager opbouwpercentage en dit gaat vooral ten koste van de pensioenopbouw van werknemers, die meer dan modaal verdienen. Het volgende voorbeeld kan dat verduidelijken.

Als het kabinetsvoorstel onverhoopt wordt aangenomen, wordt het opbouwpercentage al met 0,1% verlaagd. Een verdere verlaging van het opbouwpercentage zou de pensioenopbouw van de midden- en hogere inkomensgroepen dus nog verder aantasten.

Rapport Commissie Beleggingsbeleid en Risicobeheer Pensioenfondsen (Commissie Frijns)

Op 19 januari jl. heeft de Commissie Frijns haar rapport betreffende het beleggingsbeleid en risicobeheer van pensioenfondsen aangeboden aan minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).
De commissie moest zich buigen over het beleggingsbeleid en risicobeheer bij de pensioenfondsen. De algemene conclusie is dat de pensioenfondsbesturen bewustere, strategische keuzes moeten maken in de risico’s die ze (willen) lopen, en voldoende greep moeten houden op de uitvoering van hun beleggingen. Nu laten pensioenfondsen zich vaak leiden door het rendement dat moet worden behaald, en hebben ze minder oog voor de risico’s. De commissie heeft geen aanwijzingen gevonden dat pensioenfondsen structureel slecht presteren, wel zijn er grote verschillen in de geleverde prestaties.
De pensioenfondsen zouden als kader een geïndexeerd pensioen (een pensioen dat mee stijgt met de stijging van de prijzen of de lonen) moeten nemen en daar hun beleggings- en risicobeleid op moeten afstemmen. Dit is één van de negentien aanbevelingen, die de Commissie Frijns doet. Deze commissie is door minister Donner in het leven geroepen naar aanleiding van de crisis, die zich in 2008 voordeed bij de pensioenfondsen.

De MHP waardeert de heldere analyse van de commissie, waarbij wordt verwezen naar het rampzalige beleggingsjaar 2008. De Commissie Frijns doet ook uitspraken en aanbevelingen over een aantal andere aspecten, onder andere over de toegenomen kwetsbaarheid van het Nederlandse pensioenstelsel, de governance bij pensioenfondsen alsmede over het financieel toetsingskader (FTK). Deze opmerkingen en aanbevelingen zullen door o.a. de MHP in de Stichting van de Arbeid (StvdA) de komende maanden worden gewogen in samenhang met het rapport van de ‘Commissie toekomstbestendigheid aanvullende pensioenregelingen’ (de Commissie Goudswaard) en de evaluatie van het FTK, die momenteel door het Ministerie van SZW in samenspraak met De Nederlandsche Bank (DNB) wordt voorbereid.

Commissie Goudswaard publiceert rapport ’Pensioenen nu niet toekomstbestendig’?

De Commissie Goudswaard kreeg in opdracht van minister Donner als taak te analyseren of en in hoeverre het huidige stelsel van aanvullende pensioenen toekomstbestendig is en oplossingsrichtingen te schetsen, die het pensioenstelsel beter bestand maken tegen financiële schokken in het licht van de vergrijzing. Randvoorwaarde is om een op collectiviteit en solidariteit gebaseerd systeem te behouden. De commissie concludeert dat het Nederlandse pensioenstelsel met de bestaande ambities en veronderstelde zekerheid onvoldoende toekomstbestendig is vanwege de vergrijzing, de stijgende levensverwachting en de toenemende kwetsbaarheid voor financiële risico’s.

De commissie vindt dat Donner de Pensioenwet moet versoepelen, zodat werkgevers en vakbonden meer onvoorwaardelijke en flexibele pensioenafspraken kunnen maken. Oplossingen moeten worden gezocht in een beperking van de pensioenambitie of in het anders omgaan met risico’s, of een combinatie van beide. Praktisch betekent dit dat de norm van 70% van het laatstgenoten loon op 65-jarige leeftijd naar beneden moet worden bijgesteld. Hierover moet nadrukkelijk en transparanter worden gecommuniceerd naar de deelnemers. Pensioen is nu een schijnzekerheid. Bij het bijstellen kan worden gekozen voor het maximeren van het pensioengevend salaris of het overgaan naar indexatie van pensioenen op basis van prijzen in plaats van lonen, gecombineerd met een automatische aanpassing van de pensioenregelingen aan de stijgende levensverwachting. Een tweede oplossingsrichting is om anders om te gaan met onzekerheid en het pensioencontract meer voorwaardelijke kenmerken te geven en afhankelijk te maken van de karakteristieken van de verschillende groepen deelnemers (jong/oud/zzp).

MHP-voorzitter Richard Steenborg heeft laten weten dat “de bevindingen van de pensioencommissie Goudswaard het standpunt van de MHP onderstrepen, dat het een langetermijnvisie over de houdbaarheid van ons pensioenstelsel van groot belang is. Maar het primaat hiervoor hoort bij sociale partners te liggen.” Hierover vindt al een discussie plaats in de StvdA en daar kan dit rapport dienstig bij zijn. Het Nederlands pensioenstelsel is overigens nog steeds één van de beste ter wereld.
Volgens de MHP heeft een heldere communicatie naar de deelnemers over het haalbare pensioen en de onzekerheden die daarbij horen is, de hoogste prioriteit. De MHP ziet vooralsnog weinig in de aanbeveling om verschillende deelnemersgroepen verschillend te benaderen en om de pensioenen te maximeren. Dit zouden eerste stappen zijn om de collectiviteit en solidariteit in ons pensioenstelsel langzaam af te breken.

Kabinet zou zzp-ers te hulp moeten schieten

Op 21 september 2009 heeft minister Donner een adviesaanvraag gestuurd naar de SER om de positie van zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers) in kaart te brengen en hierover aanbevelingen uit te brengen. Inmiddels is de voorbereidende SER-commissie voor de eerste keer bijeen geweest. De MHP is hierin vertegenwoordigd door Hanneke de Geus en Klaartje de Boer. De MHP is van mening dat het kabinet op korte termijn met maatregelen moet komen om zzp-ers hulp te schieten. Een maatregel zou kunnen zijn het zogenaamde urencriterium te verlagen voor de bijstandsuitkering (Bbz) en de zelfstandigenaftrek. Deze zelfstandigen vormen voor veel ondernemingen de nieuwe flexibele arbeidsschil (naast die van uitzendkrachten) en hebben de eerste klappen van de economische crisis opgevangen.
Om aanspraak te maken op een bijstandsuitkering (Bbz) en de zelfstandigenaftrek moet een zelfstandige gemiddeld minimaal 23,5 uur per week werken. Door de crisis is het aantal opdrachten sterk teruggelopen, waardoor een zelfstandige daaraan niet meer toekomt. In de afgelopen periode hebben zij de eigen reserves moeten aanspreken. Door nu het urencriterium te verlagen wordt direct hulp geboden aan degenen, die in moeilijkheden verkeren. Verder pleit de MHP ervoor om de voorlichting over deze specifieke regelingen te verbeteren, omdat in de praktijk blijkt dat noch zzp-ers, noch (vooral kleinere) gemeenten voldoende op de hoogte zijn van deze regelingen.
Voor de langere termijn vindt de MHP dat er een meer structurele oplossing voor deze situaties moet komen. Bijvoorbeeld door de mogelijkheden te onderzoeken om in betere tijden collectief middelen opzij te leggen voor slechtere tijden.

Donner wil nog minder pro forma ontslagzaken

Met ingang van 1 oktober 2006 is de verwijtbaarheidstoets, die in de WW is geregeld, beperkt tot een klein aantal gevallen. Kort gezegd heeft dat tot gevolg dat de werknemer zich in beginsel niet hoeft te verweren tegen een ontslagwens van de werkgever. De toets is alleen nog van toepassing in twee situaties. Enerzijds gaat het om zaken waarin de werknemer op staande voet is ontslagen. Anderzijds om zaken, waarin de werknemer zelf ontslag heeft genomen of het dienstverband op verzoek van de werknemer is beëindigd.
Doel van de wetswijziging was om het aantal pro forma zaken bij het CWI (nu: UWV-werkbedrijf) en kantonrechter te beperken. En daarmee het bereiken van kostenreductie bij rechtbanken en CWI, en bij werkgevers en werknemers. Werkgevers en werknemers zouden meer met wederzijds goedvinden uit elkaar moeten gaan door middel van een vaststellings- of beëindigingsovereenkomst. Het streven was de pro forma zaken te reduceren tot maximaal 10.000 per jaar.
Het aantal pro forma zaken is in 2007 en 2008 sterk gedaald. De daling is als volgt: in 2006 waren er 46.000 zaken, in 2007 23.000 en in 2008 17.000. Minister Donner wenst het doel van maximaal 10.000 alsnog te halen.
De Raad voor de rechtspraak geeft aan dat werknemers soms toch graag een pro forma procedure volgen, met name bij de kantonrechter, zodat ze een executoriale titel hebben om betaling van de ontslagvergoeding af te dwingen met de deurwaarder. Volgens Donner is dat niet juist. De belangrijkste reden voor het nog steeds voeren van pro forma procedures bij de kantonrechter is volgens hem gelegen in het verschil in fictieve opzegtermijn als bedoeld in artikel 16 lid 3 van de WW. De lengte van de fictieve opzegtermijn bepaalt op welke datum de betaling van de WW-uitkering start.
Na de procedure bij de kantonrechter en die bij het UWV-werkbedrijf wordt er één (forfaitaire) maand van de fictieve opzegtermijn afgetrokken en gaat de WW-uitkering dus één maand eerder in. In de situatie waarin het dienstverband met een beëindigingsovereenkomst eindigt, geldt er geen korting van één maand op de fictieve opzegtermijn.
Volgens Donner zouden werknemers en werkgevers liever met de korting van één maand op de fictieve opzegtermijn uit elkaar willen gaan. Dat hangt er wat de MHP betreft maar vanaf. In onderhandelingen spelen veel meer factoren dan alleen de fictieve opzegtermijn. Wij denken dan aan de kantonrechtersformule en al zijn elementen, de aanleiding en de voorgeschiedenis voor het besluit uit elkaar te gaan, de kans van werknemer op ander werk, een periode van vrijstelling van werk voor de werknemer, de onderhandelingskracht etc. Zelden zal de lengte van de fictieve opzegtermijn allesbeslissend zijn in een onderhandelingsproces.
Donner stelt dat het halen van een titel als reden een pro forma zaak te voeren minder belangrijk is omdat het zeker stellen van de vergoeding ook anders kan. Met het opnemen van een ontbindende voorwaarde kan de beëindigingsovereenkomst automatisch worden ontbonden als de werknemer de ontslagvergoeding niet of te laat ontvangt. Donner miskent dat als de voorwaarde opgaat, de werknemer dan, omdat het dienstverband weer herleeft, weer loon moet vorderen en wedertewerkstelling. Niet verwacht mag worden dat een werkgever, die weigert of zegt niet te kunnen betalen, wel bereid is de werknemer vrijwillig terug te laten komen. De werknemer zal moeten procederen en dat leidt weer tot kosten bij de rechtbanken.
Om de in 2006 beoogde bezuiniging te halen zal Donner een wetsontwerp indienen om de verschillen in de fictieve opzegtermijn te schrappen. Aangenomen mag worden dat Donner ook een korting van één maand op de fictieve opzegtermijn zal laten gelden bij de beëindigingsovereenkomst (ontslag met wederzijds goedvinden).

De MHP kan zich voorstellen dat verschillen in fictieve opzegtermijn worden geëlimineerd. Op de onderbouwing die Donner gebruikt, is wel het nodige af te dingen. Het speelveld is ruimer dan alleen de lengte van de fictieve opzegtermijn. Als Donner de fictieve opzegtermijn gelijktrekt, dan zal elke beëindigingsovereenkomst wat de MHP betreft ook moeten meetellen bij het getalscriterium van twintig ontslagen in het kader van de Wet Melding Collectief Ontslag. Zo kunnen vakbonden ook betrokken worden bij collectieve ontslagen, die individueel met wederzijds goedvinden worden geëffectueerd.

Mario Lander interim voorzitter De Unie

Na het vertrek van Noëlle Haitsma heeft De Unie Mario Lander als interim voorzitter benoemd. Mario Lander heeft al tal van functies bekleed bij De Unie en is een goede bekende van de MHP. Zo is hij afgelopen jaar gedeeltelijk gedetacheerd geweest bij de MHP, is hij al langere tijd plaatsvervangend lid in het Algemeen Bestuur van de MHP en is hij jarenlang regiocoördinator geweest voor de MHP. De MHP wenst hem veel succes toe in zijn nieuwe baan.

 

Laatste nieuws

Tijdelijk personeel

29 juni 2022

Wijzigingen arbeidsrecht en sociale zekerheid

‘Meer professionele ruimte in publieke dienstverlening’

29 juni 2022

‘Meer professionele ruimte in publieke dienstverlening’

Belastingen en premies per 1 juli 2022

28 juni 2022

Belastingen en premies per 1 juli 2022

Meer nieuws
Naar boven