Menu

28 december 2009

Meest gestelde vragen over verhoging AOW-leeftijd

Het kabinet heeft besloten de AOW-leeftijd te verhogen naar 67 jaar. Wat betekent dit voor mensen met zware beroepen, ouderen die werkloos worden en mensen die toch eerder willen stoppen? Wat gebeurt er met het aanvullend pensioen dat via het pensioenfonds of de verzekeraar is opgebouwd ? De belangrijkste vragen op een rijtje gezet, aangevuld met een kort commentaar van de MHP.

1. Wat is er nu precies besloten ?
Op dit moment krijgt iedereen die 65 jaar wordt en Nederlands ingezetene is automatisch op 65 jaar levenslang een AOW-uitkering. Voor een alleenstaande komt dit ongeveer neer op €12.900 bruto per jaar, voor een gehuwd echtpaar €17.750.
Het kabinet heeft besloten de ingangsleeftijd van de AOW-uitkering te verhogen. De AOW-leeftijd gaat in twee stappen omhoog naar 67. In 2020 gaat de leeftijd naar 66 jaar en vijf later, in 2025, naar 67 jaar. Dat betekent dat er niets verandert voor mensen die geboren zijn voor 1 januari 1955. Die krijgen gewoon vanaf hun 65ste een AOW-uitkering. Mensen die geboren zijn tussen 1 januari 1955 en 1 januari 1960 krijgen AOW vanaf hun 66ste en mensen die geboren zijn na 31 december 1959 krijgen pas een AOW-uitkering vanaf hun 67ste.

Commentaar MHP
De MHP acht de voorgestelde leeftijdsverhoging van de AOW een te rigide systeem. Daarom had de MHP voorgesteld de AOW te moderniseren. Mensen kunnen volgens dit plan zelf kiezen op welk moment zij de AOW-uitkering laten ingaan tussen 65 en 70 jaar. Afhankelijk van de aard van het werk en de persoonlijke omstandigheden van een werknemer, zal de ene persoon eerder willen stoppen met werken dan de andere. Ook deeltijdpensioen maakte uitdrukkelijk onderdeel uit van dit voorstel. Mensen moeten zelf kunnen kiezen en die keuze moet niet van boven af opgelegd worden door de overheid. Hoe later de AOW volgens dit plan ingaat, hoe hoger de AOW-uitkering. Hierin zit een prikkel om langer door te werken, waardoor de overheid ook extra belastinginkomsten krijgt en waarmee we er voor zorgen dat de arbeidsparticipatie stijgt.

2. Komen er uitzonderingen ?
Ja. In beginsel worden er voor drie categorieën aparte regelingen getroffen:
– mensen met een lang arbeidsverleden,
– mensen met een WW-uitkering of arbeidsongeschiktheidsuitkering, en
– mensen die lange tijd een zogenaamd zwaar beroep hebben uitgeoefend.

Lang arbeidsverleden
In 2020 kunnen mensen op hun 65ste van de AOW gaan genieten, mits ze de laatste 15 jaar van hun carrière ‘substantieel’ gewerkt hebben. Daarna wordt die eis ieder jaar een jaar hoger, totdat het minimum aantal gewerkte jaren voor een AOW-uitkering op 65-jarige leeftijd in 2047 op 42 uitkomt. Dit geldt voor werknemers en zelfstandigen. Ze hoeven dus niet per se in loondienst te zijn geweest.
Onder ‘substantieel werken’ wordt in dit verband minimaal 1225 uren per jaar verstaan. Dit komt neer op een gemiddeldewerkweek van drie dagen. Wie minder dan drie dagen per week heeft gewerkt of een periode werkloos is geweest, krijgt dus niet de mogelijkheid om al op zijn 65ste AOW te ontvangen.
Wie gebruik maakt van deze regeling moet er wel rekening mee houden dat de AOW-uitkering (levenslang) gekort zal worden. De AOW een jaar eerder laten ingaan (dus 66 jaar in plaats van 67 jaar, of 65 jaar in plaats van 66 jaar) betekent naar de huidige inzichten een korting op de AOW-uitkering van 6,7%. Twee jaar eerder laten ingaan (65 jaar in plaats van 67 jaar) betekent een levenslange korting van 13,4% op de AOW-uitkering. Verder mag men de AOW-uitkering niet eerder laten ingaan, als daardoor het inkomen onder het sociaal minimum terecht zou komen.

Commentaar MHP
Volgens de MHP stelt deze uitzondering weinig voor. Mensen betalen zelf de rekening indien ze eerder stoppen in verband met een lang arbeidsverleden. Ze worden immers gekort op de AOW-uitkering. De flexibiliteit van de AOW-leeftijd wordt hiermee tot het uiterste beperkt.

Uitkeringsgerechtigden
Voor degenen van wie de WW-uitkering of arbeidsongeschiktheidsuitkering na hun 65ste afloopt, wordt een speciale regeling getroffen ter overbrugging tot de nieuwe AOW-leeftijd. Het kabinet heeft aangegeven dat het een uitkering gaat worden, die qua niveau vergelijkbaar is met de AOW-uitkering. Voordeel ten opzichte van de gewone bijstandsuitkering is dat er niet gekort wordt op de uitkering in het geval de partner een eigen inkomen heeft of in het geval betrokkene vermogen heeft opgebouwd. Wel moet men beschikbaar voor de arbeidsmarkt blijven tot het bereiken van de (nieuwe) AOW-leeftijd. Over de exacte vormgeving van deze overbruggingsuitkering moet nog worden besloten.

Commentaar MHP
De MHP vindt het onbegrijpelijk dat het kabinet alleen bereid is iets te regelen voor mensen voor wie de uitkering pas na hun 65ste afloopt. Degenen, van wie de werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering al voor 65 jaar afloopt, zullen twee jaar langer op bijstandsniveau uitkomen, met eventueel een toets op het inkomen van de partner en een toets op het vermogen (met alle mogelijke gevolgen, zoals als het opeten van het eigen huis). Daarom pleit de MHP ervoor de voorgestelde regeling uit te breiden tot alle mensen met een uitkering. De kans van het vinden op een baan op oudere leeftijd is immers zeer gering.

Zware beroepen
Werkgevers moeten er in de toekomst voor zorgen dat mensen met zware beroepen na uiterlijk 30 jaar de kans krijgen om minder zwaar werk te gaan doen om te voorkomen dat ze al ver voor de pensioendatum versleten zijn. Doet de werkgever dat niet dan moet hij mogelijk maken dat de werknemer toch op zijn 65e kan stoppen door hem financieel te compenseren met 140% van het jaarsalaris (tweemaal 70%). Zware beroepen zijn volgens het kabinet beroepen die – als ze langer dan 30 jaar worden uitgeoefend – leiden tot (ernstige) fysieke slijtage die niet meer is terug te draaien.

Commentaar MHP
Volgens de MHP is het vrijwel onmogelijk een lijst van zware beroepen op te stellen. Dit is niet alleen afhankelijk van de aard van de werkzaamheden, maar ook van persoonlijke eigenschappen. Het kabinet lijkt bovendien alleen te willen kijken naar fysiek zware beroepen en gaat daarmee voorbij aan de psychisch zware beroepen.
Er zullen nog heel veel uitvoeringsproblemen met de zware beroepenregeling komen. Twee kleine voorbeelden. Wie wordt verantwoordelijk, indien men een zwaar beroep bij meerdere werkgevers heeft gehad ? Hoe zorgt een kleine werkgever voor minder belastende arbeid ?

3. Wat gebeurt er met het aanvullend pensioen ?
Veel mensen bouwen ook nog een aanvullend pensioen op via hun werkgever (ondergebracht bij een pensioenfonds of een verzekeraar). Idealiter vormen de AOW-uitkering en het aanvullend pensioen samen vanaf 65 jaar ongeveer 70% van het laatstverdiende loon. Het kabinet gaat de fiscale faciliteit om dit te kunnen bereiken versoberen. Vanaf 2020 wordt de maximale pensioenopbouw gericht op 67 jaar in plaats van op 65 jaar. Op reeds opgebouwd pensioen kan de overheid niet korten.

Voorbeeld
Een werknemer heeft in 2020 gedurende 20 jaar pensioen opgebouwd met het oog op een pensioendatum van 65 jaar. De resterende 20 jaar wordt pensioen opgebouwd, gericht op een pensioenleeftijd van 67 jaar. Voor het gedeelte van het aanvullend pensioen geldt dan ongeveer een pensioenleeftijd van 66 jaar. Voor het AOW-gedeelte geldt dan inmiddels een pensioenleeftijd van 67 jaar. Deze persoon zal dan ergens tussen 66 en 67 jaar een volwaardig pensioen (AOW en aanvullend pensioen samen) kunnen bereiken. Naarmate het aanvullend pensioen hoger is, zal de pensioenleeftijd dichter tegen 66 jaar aanliggen.

Commentaar MHP
De MHP betreurt het dat ook de opbouw voor aanvullende pensioenen worden beperkt. Er zijn in de praktijk maar weinig mensen die ongeveer 70% van het laatstverdiende loon aan pensioen bereiken. Deze situatie blijft voor hen bestaan, indien de aanvullende pensioenopbouw ook wordt beperkt. Ze kunnen het pensioengat niet dichten door wat langer door te werken.
Ook wordt een deel van het aanvullend pensioen in sommige gevallen ook gebruikt als overbrugging tot de AOW-leeftijd (bijvoorbeeld bij functioneel leeftijdsontslag of in een uitkeringssituatie). Deze overbruggingsperiode wordt met de kabinetsmaatregelen twee jaar verlengd.

4. Wie bepaalt wat zware beroepen zijn ?
Werkgevers- en werknemersorganisatie in een sector kunnen beroepen voordragen als een zwaar beroep; uiteindelijk besluit het kabinet of een beroep als zwaar wordt aangemerkt. In ieder geval moet het gaan om beroepen die leiden tot (ernstige) fysieke slijtage. Sociale partners mogen alleen beroepen voordragen die volgens de wet opgenomen criteria daarvoor in aanmerking komen. Het moet gaan om een sector waarin werknemers aanmerkelijker vaker en al jarenlang bovengemiddeld arbeidsongeschikt raken. Daarnaast moet uit de jaarlijkse arbeidsomstandighedenenquête onder werknemers blijken dat het beroep wat risico’s en gevolgen voor de gezondheid betreft, inderdaad tot de zwaarste categorie behoort.
Het aanmelden van een zwaar beroep is niet vrijblijvend maar kent daarnaast verplichtingen. Werkgevers en werknemers in die sector moeten tegelijkertijd een gezamenlijk actieplan inleveren hoe zij werk in dat beroep lichter willen maken, hoe ze arbeidsongeschiktheid willen verminderen en de duurzame inzetbaarheid van werknemers in dat beroep willen verbeteren.

Commentaar MHP
De MHP betreurt het dat beroepen met een zware psychische belasting niet als ‘zwaar beroep’ kunnen worden aangemerkt. Bijvoorbeeld: bepaalde leidinggevende functies, functies in de verpleging of bij de politie.
 Verder vreest de MHP dat er weinig werkgeversvertegenwoordigers bereid zullen zijn medewerking te verlenen aan het voordragen van zware beroepen. Ze lopen immers het risico zichzelf ‘een boete’ op te leggen van 140% van het salaris.

5. Wat gebeurt er met het zogenaamde functioneel leeftijdsontslag ?
Met het oog op veiligheid zijn er verschillende functies die vanaf een bepaalde leeftijd niet meer uitgeoefend mogen worden. Voorbeelden zijn: politie, militairen, brandweer, piloten etc. Dit noemt men ook wel functioneel leeftijdsontslag (flo). Voor 2006 waren nog aparte fiscale regelingen mogelijk om deze vervroegde uittreding mogelijk te maken. Met het vervallen van de (fiscale) VUT-regelingen in 2006 zijn ook de mogelijkheden van flo-regelingen beperkt. Het functioneel leeftijdsontslag wordt nu vooral via aanvullende arbeidsvoorwaardelijke afspraken gefinancierd en/of uit de aanvullende pensioenen. Door een beperking van de fiscale mogelijkheden om pensioen op te bouwen wordt het financieringsprobleem verder vergroot en komen flo-regelingen nog verder onder druk te staan.

Commentaar MHP
Verschillende functies kunnen nauwelijks nog op hogere leeftijd worden uitgeoefend. Ze kunnen te grote veiligheidsrisico’s voor betrokkenen zelf of voor de omgeving met zich meebrengen. Dit zijn algemeen maatschappelijk geaccepteerde normen die we hiervoor hanteren. Zolang dit het geval is hebben we in Nederland ook de zorg voor die mensen die deze beroepen uitoefenen. Als er besloten wordt dat zij niet meer vervroegd kunnen uittreden, moet er ook voor worden gezorgd dat deze mensen op tijd een andere functie, van een vergelijkbaar niveau, wordt aangeboden.

Laatste nieuws

Tijdelijk personeel

29 juni 2022

Wijzigingen arbeidsrecht en sociale zekerheid

‘Meer professionele ruimte in publieke dienstverlening’

29 juni 2022

‘Meer professionele ruimte in publieke dienstverlening’

Belastingen en premies per 1 juli 2022

28 juni 2022

Belastingen en premies per 1 juli 2022

Meer nieuws
Naar boven