Menu
Nabestaandenpensioen

In de voorstellen voor het nabestaandenpensioen in de nieuwe Pensioenwet zit een aantal onvolkomenheden. Die kunnen nabestaanden onevenredig hard treffen. De VCP pleit daarom in een opiniestuk voor aanpassingen.

Het arbeidsgerelateerde nabestaandenpensioen is een complex onderwerp dat de gemoederen al jaren bezighoudt, vanwege de veelvoud van verschillende regelingen die bestaan. Politieke voorstellen en een advies van de Stichting van de Arbeid over het nabestaandenpensioen worden meegenomen in de nieuwe Pensioenwet. Er zitten veel verbeteringen in. Maar de invulling hiervan kent nog rauwe randjes:

• een onnodig duur systeem dat hoogstwaarschijnlijk zal leiden tot lagere dekkingen;
• grote verschillen in de uitkering tussen overlijden vlak voor en na pensioendatum;
• nabestaanden kunnen ondanks jarenlange opbouw van nabestaandenpensioen toch met lege handen komen te staan.

Hier is veel te weinig aandacht voor vindt de VCP. De VCP roept het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op alvorens de wetgeving aan de Tweede Kamer te sturen, hier betere keuzes in te maken en doet in dit opinieartikel hiertoe voorstellen om een deel van deze rauwe randjes in de vormgeving van het nieuwe nabestaandenpensioensysteem (NP) op te lossen.

Huidig stelsel

Nu is het nog zo dat mensen ofwel een nabestaandenpensioen opbouwen in de vorm van een kapitaal (opbouwbasis) of verzekerd zijn (risicobasis). Het nabestaandenpensioen op opbouwbasis blijft ook staan wanneer iemand van baan wisselt. De risicoverzekering geeft echter een dekking die komt te vervallen bij uitdiensttreding. De verschillende vormen, maar ook hoogtes, maken het lastig voor werknemers om te bepalen of er sprake is van een goede dekking voor hun nabestaanden. Daarom heeft de StvdA eind 2020 geadviseerd alle nabestaandenpensioenregelingen meer te gaan standaardiseren.

Nieuwe systeem

In het nieuwe systeem van nabestaandenpensioen wordt onderscheid gemaakt naar het moment van overlijden: vóór of na de pensioendatum. Bij overlijden vóór de pensioendatum moet een nabestaandenpensioen in alle gevallen uit een risicoverzekering komen. Deze is gekoppeld aan het dienstverband en kent onder voorwaarden een uitloopdekking na het eind van het dienstverband. Voor het overlijden ná de pensioendatum wordt een nabestaandepensioen opgebouwd op kapitaalbasis.

In het nieuwe systeem wordt voor het geval van overlijden tijdens dienstverband (dus voor de pensioendatum) een risicoverzekering worden afgesproken voor een levenslange uitkering, op basis van het hele salaris. Hoe hoog het percentage is spreken sociale partners af binnen de diverse pensioenregelingen, maar de volgende eisen gelden:

• tot maximaal 50% van het laatstverdiende salaris, zonder aftrek van franchise;
• uitsluitend van toepassing bij overlijden voor pensioendatum;
• de uitkering is levenslang;
• onafhankelijk van het aantal dienstjaren.

De 50% komt ongeveer overeen met 70% van het opgebouwde ouderdomspensioen, dat nu het fiscale maximum is voor de hoogte van een nabestaandenuitkering. Groot verschil is dus dat het aantal gewerkte jaren niet meer van invloed is én dat het percentage over het gehele salaris zal worden berekend. Hiermee wordt een belangrijk nadeel van een nabestaandenpensioen op risicobasis weggenomen, namelijk dat bij wisseling van werkgever de dienstjaren weer bij nul beginnen te tellen. Daarnaast wordt de fors uitgeklede ANW (nabestaandenpensioen vanuit de overheid), waar bijna niemand meer aanspraak op kan maken, zo standaard gedekt via de 2e pijler.

Bij overlijden na de pensioendatum behoudt de deelnemer wel een nabestaandenpensioen op basis van kapitaalopbouw. De hoogte van het nabestaandenpensioen bij overlijden na pensioendatum is daarom wel afhankelijk van het aantal jaren dat daadwerkelijk gedurende het werkende leven is opgebouwd. En bedraagt dan maximaal 70% van het kapitaal dat is opgebouwd voor ouderdomspensioen. Hier wordt de franchise dus wel in mindering gebracht.

Gaten in de wetgeving?

De VCP constateert dat er grote verschillen tussen overlijden voor en na pensioenleeftijd kunnen ontstaan en dat met deze inrichting ongewenste situaties kunnen ontstaan.

Zo krijgt de partner van een deelnemer die een aantal jaren voor zijn pensioenleeftijd werkloos wordt en vervolgens kort voor pensioenleeftijd overlijdt, helemaal niets. Dit wordt veroorzaakt doordat er voor pensioendatum sprake is van een risicoverzekering, die alleen tot uitkering komt indien de werknemer bij overlijden in dienst was. Ondanks dat er dus wellicht sprake is geweest van een jarenlange opbouw van het nabestaandenpensioen voor overlijden na de pensioenleeftijd. Dit kapitaal vervalt aan het collectief en de nabestaanden staan met lege handen. Zie het voorbeeld van Christel in de bijlage.

Omgekeerd krijgt een partner van iemand die kort voor de pensioenleeftijd in dienst komt en nooit in loondienst heeft gewerkt, levenslang een nabestaandenpensioen op basis van het laatstverdiende inkomen. Immers het nabestaandenpensioen vóór pensioendatum is in alle gevallen diensttijdonafhankelijk en levenslang. Dit legt een onevenredige druk op de solidariteit: iemand die nooit heeft meebetaald, en dat ook maar kort zou kunnen als gevolg van de naderende pensioenleeftijd, mag wel rekenen op een volledige, levenslange uitkering. Deze onevenredige druk komt tot uiting in extra hoge kosten, waardoor de dekking voor alle deelnemers in een pensioenfonds naar beneden zal moeten worden bijgesteld. Tenminste, als een kostenneutrale omzetting wordt beoogd.

VCP heeft hiertoe een oplossing zodat de uitkering van nabestaanden niet meer afhankelijk van het overlijden voor of na de pensioendatum en ook beter betaalbaar wordt. De dekking wordt in alle gevallen evenwichtiger en het niveau van de uitkering voor het collectief van deelnemers hoeft niet drastisch te worden verlaagd. Geen versobering van het nabestaandenpensioen was immers ook één van de afspraken in het advies van de Stichting van de Arbeid.

Zet een andere knip

De VCP bepleit hierom een knip in de hoogte van de uitkering voor en na pensioenleeftijd, onafhankelijk van het moment van overlijden. Zo krijgt een nabestaande van een werknemer die overlijdt voor pensioendatum tot aan pensioendatum een vast percentage van het gehele inkomen op basis van de risicodekking en komt na pensioendatum hetgeen is opgebouwd voor de nabestaande tot uitkering. Tevens wordt de toekomstige kapitaalopbouw tot pensioendatum verzekerd, om te voorkomen dat er na pensioendatum een sterke afname plaatsvindt. Gemiste kapitaalopbouw uit het verleden wordt niet gecompenseerd.

Door deze knip aan te brengen voorkom je schrijnende gevallen van overlijden net voor of net na pensioendatum als gevolg van werkloosheid of bv deeltijdpensioen. Ook zullen doorgaans de hoogte van de uitkering bij overlijden vlak voor en na pensioendatum meer op elkaar aansluiten wat een belangrijk doel was voor de herziening van het NP. De kosten worden hiermee lager omdat de risicodekking niet meer levenslang hoeft uit te keren, maar tot de pensioendatum. De VCP is daarbij van mening dat dit de transparantie ten goede komt omdat de risicodekking volledig betrekking heeft op de tijdsperiode tot de pensioenleeftijd en de opbouw altijd van toepassing is op de periode na de pensioenleeftijd.

Werkloos

Is iemand werkloos bij overlijden, dan krijgt de partner vanaf pensioenleeftijd in ieder geval hetgeen is opgebouwd en staat deze partner niet met lege handen. De conceptwetgeving voorziet ook in de mogelijkheid om de nabestaandenverzekering drie maanden automatisch door te laten lopen voor werknemers tussen twee banen. De VCP is warm voorstander hiervan en juicht een mogelijkheid om dit vrijwillig ook gedurende een langere periode door te laten lopen toe. De betreffende werknemer zal dan wel zelf voor de kosten op moeten draaien middels een persoonlijke premie die tot zekere grenzen betaald kan worden uit het persoonlijk pensioenvermogen. Zie het voorbeeld van Christel in de bijlage waarom de mogelijkheid tot voortzetting van belang is.

Andere voordelen

We zien gevallen dat werknemers niet in één keer volledig stoppen met werken en met pensioen gaan, maar dat er langzaam afgebouwd wordt al dan niet met behulp van een RVU-regeling. Twee dagen minder werken, dus 3 in plaats van 5 dagen, kost je eventuele nabestaande dan ook levenslang meteen een verlaging van 40% van het nabestaandenpensioen. Door een knip aan te brengen is dit dan slechts gedurende een korte periode, namelijk tot de pensioenleeftijd, een probleem. Zie het voorbeeld in de bijlage van Wim.

Kostenneutraal

De eerste doorrekeningen laten zien dat als de bestaande regelingen omgezet gaan worden naar een diensttijdonafhankelijke levenslange uitkering, het beoogde maximum van 50% van het salaris onder druk komt te staan. Door de veel hogere kosten van het nieuwe nabestaandenpensioen daalt dan het percentage fors, naar schatting tot 30% tot 40% in plaats van 50%. We hebben dan straks weliswaar een regeling die eenvoudiger te begrijpen is, maar in hoogte enorm kan verschillen.
Omdat je geld maar één keer kunt uitgeven wordt het dan kiezen. Een hoger salaris nu, een hoger pensioen straks of een beter nabestaandenpensioen. Door de voorgestelde aanpassing aan de uitkeringsknip zijn salaris en een goed nabestaandenpensioen met elkaar te verenigen. Om een idee te geven van de kosten, de voorgestelde knip door de VCP in de nabestaandenregeling scheelt grofweg 1 – 1,5%-punt extra premie.

Laatste nieuws

Hoge gasprijs: aan welke knoppen kunnen we draaien

14 oktober 2021

Hoge gasprijs: aan welke knoppen kunnen we draaien

Eerste Kamer stemt in met betaald ouderschapsverlof

12 oktober 2021

Eerste Kamer stemt in met betaald ouderschapsverlof

Lancering Geenpensioen.nl

12 oktober 2021

Lancering Geenpensioen.nl

Meer nieuws
Naar boven